Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/203

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 179 —

nog slechts op, dat op deze zelfde wijze de afbeeldingen der voorwerpen ontstaan in de chambres obscures, die wij onzen kinderen als speeltuig in handen geven, en ook in die, waarin die beelden zich door eene hoogst bewonderenswaardige scheikundige werking des lichts, op het papier of op eene metaalplaat, om zoo te zeggen vastzetten: in de chambre noire bij de Photographie en Daguerreotypie.

Op eene met die in onze proefneming geheel overeenkomstige wijze nu, worden er van alle voorwerpen, waarop wij onze oogen rigten, ook beelden in het achterste gedeelte van elk onzer oogen gevormd. Zoo als deze in onze proef ontstaan op het papier, zoo ontstaan zij achter in onze oogen insgelijks op het zoogenaamde netvlies, zijnde eene uitbreiding van onbegrijpelijk fijne zenuwdraden, die alle ontspruiten uit ééne groote zenuw, welke den naam van gezigtszenuw draagt. Het zal aan vele mijner lezers niet onbekend zijn, dat een groot deel der in ons ligchaam aanwezige zenuwen tot niets anders dienen, dan om de indrukken, welke de verschillende deelen van ons ligchaam ontvangen, op te nemen en in ons tot bewustzijn te brengen: voor het gevoel dus. Zoo ook doet ons de gezigtszenuw de verschillende beelden, welke op hare in het netvlies uitloopende uiteinden vallen, voelen en onderscheiden, en ziedaar wat wij zien noemen.

En mogen wij nu dit zien, die voor ons zoo dagelijksche zaak, waaraan wij bijna nooit denken als bij enkele gelegenheden,—wanneer wij b.v. door het aantreffen van iemand, die van het gezigt beroofd is, herinnerd worden aan de groote weldaad, die ons daarin geschonken is,—mogen wij dit niet met regt een der grootste wonderen noemen? Men bedenke eens met wat eene gemakkelijkheid wij door het gezigt twee voorwerpen van elkander onderscheiden, die slechts in zeer kleine bijzonderheden uiterlijk verschillen en die zooverre van ons zijn geplaatst of zoo klein, dat de beeldjes, die daarvan op ons netvlies ontstaan, niet grooter kunnen zijn dan een speldeknopje;—hoe wij ons nooit vergissen in de onderscheiding van de duizende verschillende vormen en gedaanten der voorwerpen;—hoe zelfs een uiterst gering verschil in kleur, bij dezelfde gedaante, voor ons genoegzaam is, om twee voorwerpen te doen verschillen voor het