Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/208

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 184 —

buiten hem, nog naar de maan even gretig grijpt als naar een onder zijn bereik geplaatste lichtvlam.

Uit het bovenstaande volgt ook van zelf, waarom ons de op grooten afstand geplaatste voorwerpen zoo klein toeschijnen. Hoe verder namelijk een voorwerp van onze oogen verwijderd is, des te moeijelijker wordt het ons om den afstand juist te bepalen. Bevindt het zich b.v. op 5 palmen afstands, dan maakt eene enkele duim verandering in dien afstand reeds eene merkbare en voor ons voelbare verandering in de rigting van onze oogen noodig, en deze wordt dus zeer gemakkelijk door ons waargenomen. Maar als wij zien naar een voorwerp dat op 50 ellen afstands van ons is verwijderd, dan maakt eene vermindering of vermeerdering van dien afstand om een geheele el, slechts eene zoo geringe verandering in de rigting van onze oogen noodig, dat wij die naauwelijks kunnen waarnemen. Wordt de afstand nog grooter, dan wordt ons gezigtsorgaan, om de opgenoemde reden, om zoo te zeggen nog ongevoeliger voor eene groote vermindering of vermeerdering daarvan, zoodat het ons zeer moeijelijk is, om eenen afstand grooter dan 100 ellen, met eenige naauwkeurigheid te schatten. Van daar, dat wij groote afstanden, onwillekeurig, steeds voor veel geringer houden dan zij werkelijk zijn; en doen wij dit, dan moeten, daar de netvliesbeelden toch voortgaan om kleiner te worden al naar dat de wezenlijke afstand grooter is, de voorwerpen ons noodzakelijk kleiner, èn op zeer grooten afstand veel kleiner toeschijnen dan zij werkelijk zijn.

Als omgekeerd eenige voorwerpen, door eene bijzondere bijomstandigheid, door ons voor grooter dan zij zijn worden gehouden, dan zien wij ze tegelijk ook veel verder afstaan, dan dit werkelijk het geval is. Hierop berust de inrigting, die zulk een fraai effekt teweeg brengt bij eenen bloemhof, even buiten Haarlem. Daar voor staande, ziet men in het voorjaar, door eene opening in de omheining, een uitgestrekt bed van bloemen, die het oog verrukken door kleuren, zóó schitterend als alleen bloemen ze kunnen opleveren. Aan het eind van dit bed is een open poort of boog, en daardoor heen ziet men een tweede, even fraai en schijnbaar veel grooter. Daar