Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/209

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 185 —

achter is eene tweede poort en daardoor ziende, aanschouwt men een derde bloembed, dat weder nog veel langer schijnt dan het tweede. Deze drie bedden te zamen maken reeds een bijna onafzienbare uitgestrektheid uit en het houdt daarbij nog niet op, want achter deze drie schijnen er nog meer te zijn; eene oplettende beschouwing doet bij de laatste evenwel de hand des schilders bemerken. Maar van waar nu, dat deze bloemenallée ons zóóveel langer toeschijnt dan zij werkelijk is? Eenvoudig omdat de breedte van de bedden allengs vermindert, terwijl ook de breedte en hoogte van de poorten al kleiner en kleiner zijn genomen, naarmate ze verder verwijderd zijn, en de grond niet waterpas, maar naar achteren zacht rijzende is gemaakt. Niet volgens het gezigt, maar door eene natuurlijke gevolgtrekking, die wij maken, wanneer wij onbewust zijn van het opzettelijk ongewone in dezen toestel, gelooven wij de bedden overal even breed, de poorten allen even groot. Dit zoo zijnde, moeten wij ze noodzakelijk voor veel verder geplaatst aanzien, dan ze werkelijk zijn.

Uit al het bovenstaande blijkt, dat het nut, hetwelk het bezit van twee oogen den mensch aanbrengt, niet gelegen is daarin, dat alzoo het eene oog het andere in het zien kan afwisselen, gelijk ik dit nog onlangs in ernst hoorde beweren; maar dat wij wezenlijk daardoor in staat gesteld worden om beter en juister te zien, dan zulks het geval zoude zijn, indien wij b.v., zoo als de cyclopen uit de fabelwereld, maar één oog midden in het voorhoofd bezaten. En toch, al is het bovenstaande reeds ten volle toereikend om het voordeel, dat wij uit het bezit van een dubbel gezigtsorgaan trekken, in helder licht te stellen, het daar vermelde is nog het eenige niet; nog op eene andere wijze zijn ons onze beide oogen, tegelijk, van dienst. Ik durf mijne lezers uitnoodigen, om dit nog verder met mij te onderzoeken.

Ik herinner mij in mijne jeugd ergens gelezen te hebben, dat een reiziger, op een der Zuidzee-eilanden aangekomen, waar nog voor hem geen Europeaan den voet had gezet, een portret wilde vervaardigen van de koningin der Wilden van dit eiland, en daarmede werkelijk eenen aanvang maakte. Zoolang hij nog slechts de omtrekken schetste van het gelaat, de buste, armen