Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/210

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 186 —

en handen, betoonden de daarbij staan de inboorlingen veel genoegen in de zaak. Maar toen hij daarna het beeld begon te schaduwen en naar de natuur te kleuren, toen begonnen zij luide te weeklagen:"dat de vreemde toovenaar hunne koningin het hoofd en de armen ontnam om die weg te voeren!" en zij werden eindelijk zoo boos, dat onze schilder zijnen arbeid staken en zijn half afgewerkt portret vernietigen moest. Dat die arme wilden, die zeker nog nooit iets dat naar eene teekening zweemde onder de oogen hadden gehad, tusschen de kopy en het origineel volstrekt geen onderscheid konden zien, dit kan ons niet verwonderen. Maar hoe komt het, dat wij het in die kunst zoo ver hebben gebragt,—hoe komt het dat iedereen, zelfs de minst beschaafde onder ons, het zorgvuldigst bewerkte schilderij, de naauwkeurigste teekening, met een oogwenk onderscheidt van het voorwerp, dat daarop is voorgesteld. Dit komt, zegt men misschien, daar van daan, dat de kunst, tot hoe hoogen trap van volkomenheid zij ook gestegen zij, nog steeds onvolmaakt is, zoodat er altijd iets is, wat ons het penseel of de teekenpen herinnert. Zou het dus mogelijk zijn, dat de schilders het nog eens zoo ver bragten, om ons op hun doek alle voorwerpen zoo voor te stellen, dat er een zorgvuldig onderzoek toe noodig was, om een onderscheid te bespeuren tusschen de afbeelding en het voorwerp zelf? Ik zeg hier opzettelijk alle voorwerpen; want in de zoogenaamde graauwtjes heeft men het voor langen tijd reeds zoo verre gebragt; doch daarover nader. Op deze vraag, zoo algemeen gesteld, kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: als de mensch maar één oog had: ja; maar nu hij er twee heeft: neen, zeker nooit.

Immers, zien wij van een ligchamelijk voorwerp met beide oogen juist hetzelfde, of met andere woorden, zijn de beelden die van een en hetzelfde voorwerp in elk onzer oogen worden gevormd, volkomen aan elkander gelijk? Wij behoeven slechts het een of ander eenigzins daartoe geschikt voorwerp, dat gemakkelijk te vinden is, voor ons te plaatsen, en het dan beurtelings met het regter oog, en met het linker te beschouwen, om overtuigd te worden dat dit niet het geval is. Plaatsen we b.v. een klein kistje—de lezer neme daartoe zijn tabakskistje, de lezeres haar necessaire—op eenen afstand