Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/227

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 203 —

Wanneer een noorden wind eenigen tijd aanhoudt, dan verandert hij langzamerhand van rigting, wordt meer en meer oostelijk en gaat eindelijk in een en regelmatigen oosten wind over. Wanneer er daarna een stroom aankomt, die eene zuidelijke rigting heeft, dan gaat de wind door het zuidoosten naar het zuiden om. Die zuidelijke wind houdt echter gewoonlijk slechts kort aan en gaat in eenen zuidwestelijken en westelijken over. Treden er nu bij heerschenden westenwind weder noordelijke luchtstroomen in, dan gaat de wind snel door het noordwesten naar het noorden. In de gematigde streken van het noordelijk halfrond, is dus de rigting waarin de wind het meest omgaat, dezelfde, als waarin de wijzers van een uurwerk omloopen; in die van het zuidelijk halfrond is deze rigting juist tegenovergesteld, zoo als eene menigte van waarnemingen bewijst.

Trachten wij nu dezen gang der verschijnselen te verklaren, dat is, als een noodzakelijk gevolg uit bekende natuurwetten af te leiden. Indien, op eene plaats van het noordelijk halfrond, een van de polen naar den evenaar gaande luchtstroom heerscht, en gedurende eenigen tijd aanhoudt, dan komen de luchtdeeltjes, welke achtereenvolgens over die plaats stroomen, van meer en meer noordelijk gelegen streken, dat is, van plaatsen waar de omwentelingssnelheid der aarde kleiner en kleiner is. Daar echter die plaats eene standvastige omwentelingssnelheid heeft, is de oostwaartsche beweging derzelve steeds grooter en grooter, met betrekking tot die der voorbij stroomende lucht, zoodat de wind meer en meer naar het oosten gaat. Zoolang er nu geen nieuwe stroom invalt, behoudt de wind dezelfde rigting; maar valt er een zuidelijke of zuidwestelijke stroom in, dan verbindt zich deze eerst met de oostelijke tot een zuidoostelijke, die vervolgens in een zuidelijke, zuidwestelijke en westelijke overgaat. De luchtdeeltjes namelijk, die van den evenaar naar de polen stroomen, hebben eene grootere omwentelingssnelheid, van het westen naar het oosten, dan de plaatsen der aardoppervlakte, waar zij achtereenvolgens aankomen. Om dezelfde reden waarom dus een noordelijke stroom, die eenigen tijd aanhoudt, langzamerhand in een' oostelijken overgaat, gaat ook een zuidelijke stroom in een' westelijken over.