Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/240

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 216 —

Een oud paard, behoorende aan eenen karreman te Strathaegie, in het graafschap Fife, was zeer gemeenzaam geworden met de gewoonten der kinderen, waarmede zijn meester rijkelijk gezegend was. Eens op eenen dag, dat het eene zware kar trok op een naauwen weg, buiten het dorp, zoude een nog zeer jong kind, dat op den weg was neder gelegd, onmisbaar onder de wielen der kar verbrijzeld ziin, zoo het dier geene maatregelen had genomen om het te redden. Het nam met zijne tanden zorgvuldig het kind bij de kleederen op, droeg het eenige roeden ver, en legde het toen neder op een grasperkje ter zijde van den weg, vervolgens langzaam voortgaande en van tijd tot tijd omziende of het kind wel geheel buiten het bereik der raderen van de kar was.

Voorbeelden als deze komen voorzeker hoogst zelden voor, en slechts zeer weinige paarden zijn tot dergelijke daden, waarin eene soort van goedhartigheid, gepaard aan verstandelijk overleg, niet te miskennen zijn, in staat. Doch hetzelfde geldt,—schoon natuurlijk in geheel andere verhoudingen,—van menschen. Ook onder hen behooren zij, die uitmunten door voortreffelijke eigenschappen van hart en geest, tot de zeldzaamheden. Zij zijn slechts toonbeelden van datgene, waartoe de menschelijke natuur op haren hoogsten ontwikkelingstrap in staat is. Zoo ook leveren ons de zoo even aangevoerde daden, door paarden bedreven, geenszins de algemeene maat voor de zielshoedanigheden van het geheele paardengeslacht, maar zij toonen alleen aan, tot welk eene hoogte die hoedanigheden kunnen ontwikkeld zijn, zonder dat een paard ophoudt paard te blijven.

Werkelijk zijn dan ook zulke handelingen het toppunt der uiting van eene meer algemeene neiging, namelijk van die tot gezelligheid. Reeds fred. cuvier heeft teregt doen opmerken, dat alleen zulke dieren door den mensch volkomen kunnen getemd en tot ware huisdieren gemaakt worden, welke in hunnen natuurstaat gezellig leven. De eerste voorwaarde tot het bestaan eener menschelijke maatschappij is, dat hare leden welwillend jegens elkander gezind zijn, en inderdaad is hetzelfde van toepassing op de dierlijke maatschappijen. Elk op zich zelf zwakker zijnde dan vele onder ver-