Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/273

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 249 —

gen wij, dat in die gevallen, waar men de wijze van lichtontwikkeling naauwkeurig heeft onderzocht, deze geenszins bestaat in eene gestadige uitstraling op een of eenige weinige punten van het ligchaam, maar dat integendeel het licht eigenlijk wordt gevormd door een geflikker van tallooze mikroskopisch kleine vonkjes, die onophoudelijk te voorschijn komen, om telkens weder even schielijk te verdwijnen, even als of er eene menige kleine elektrische ontladingen plaats grepen, waarvan de eene de andere schier zonder tusschentijd opvolgt.

Doch bovendien vinden wij nog andere opmerkelijke punten van overeenkomst. Het is bekend, dat eene sterke elektrische spanning der dampkringslucht vele gevoelige personen onaangenaam aandoet. Het is zelfs eene ervaring, dat het draaijen van een elektriseerwerktuig in eene kamer bij sommigen duizeligheid en hoofdpijn te weeg brengt. Nu berigt kapitein henderson, dat hij op den 5den Maart 1821 op 2° N. Br. en 21°,20 W. L., een zoo sterk zeelicht heeft waargenomen, dat allen, die er slechts eenen korten tijd het oog op vestigden, de een meer, de ander minder, door duizeligheid en hoofdpijn werden aangetast. Eene andere niet minder gewigtige mededeeling zijn wij aan quoy en gaimard verschuldigd, die in 1845 freycinet op zijne reis om de wereld vergezelden. Zij verhalen, dat zij bij sterk lichten der zee duidelijk denzelfden reuk bespeurden, dien men ook ontwaart, wanneer men in de nabijheid van den geladenen eersten geleider eener elektriseermachine komt. Voegen wij deze beide berigten bijeen, waarvan het eene als het ware het andere aanvult, dan ondersteunen zij het gevoelen, dat het lichten der zee inderdaad het gevolg is van eene elektriciteitsontwikkeling in de ligchamen der dieren, waarmede dan de vorming dier eigendommelijk riekende, doch nog in vele opzigten raadselachtige stof gepaard gaat, die zoowel door elektriciteit als door andere middelen in de lucht kan worden voortgebragt, en waaraan men den naam van ozone heeft gegeven.

Is dit zoo, dan is elk lichtgevend dier, hoe klein ook, eene elektrische batterij, wier ontlading, even als bij den sidderaal, afhangt van de willekeur des diers, en bevorderd wordt door uitwen-