Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/302

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 278 —

11 à 12 el hoogte verheffen. De regelmatig terugkeerende of periodieke stroomingen worden voornamelijk voortgebragt, doordien er zich een hemelligchaam in de nabijheid der aarde bevindt, dat een gewigtigen invloed op haar uitoefent. Dit ligchaam is de maan. Het is inzonderheid de aantrekking, waarmede zij de aarde en dus ook het water tot zich wil doen naderen, die de weldadige eb en vloed der zee te weeg brengt. Daar de aarde, bij hare draaijing om zich zelve, verschillende punten harer oppervlakte naar de maan wendt, zoo wordt de geregelde terugkeer van dit natuurverschijnsel hierdoor opgehelderd. Dat ook de dampkring aan een geregelde eb en vloed onderworpen is, mogen wij hier slechts in het voorbijgaan vermelden.

Het zou een geheel op zich zelf staand opstel vorderen, om den invloed der maan op onze aarde duidelijk te maken. De verklaring van eb en vloed, welke de meest zamengestelde berekeningen vorderde, de verklaring dus van de regelmatige schommelingen of open nedergangen van het zeewater, levert intusschen een krachtig bewijs op van het nut der wiskunde, welke, helaas, zegt v. humboldt, in het gewone leven zoo met minachting wordt aangezien; zij alleen toch heeft het mogelijk gemaakt, om, met eene bewonderenswaardige naauwkeurigheid, in onze zeevaartkundige almanakken de hoogte van de springvloeden bij elke volle en nieuwe maan te bepalen, en heeft alzoo de kustbewoners in staat gesteld, om bedacht te zijn op het gevaar, dat hen dreigt, vooral dan, wanneer de meerdere nabijheid der maan tot de aarde dat gevaar vergroot. Want hoewel de rijzing en daling, of vloed en eb van het zeewater, in de opene zee naauwlijks merkbaar zijn, kan toch de gesteldheid der kusten, welke soms den opkomenden vloed belemmert, een verschil in waterstand van 20 tot 30 el veroorzaken, gelijk bijvoorbeeld in de baai Fundy bij Nieuw Schotland, in Noord Amerika, het geval is.

Lof en eere zij dus den onsterfelijken newton en den eenigen laplace toegebragt, dat de eerste door zijne leer der zwaartekracht de eb en vloed naauwkeurig deed verklaren, en de laatste door newtons wetten ons de zekerheid heeft geschonken, dat nimmer,