Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/366

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 342 —

Het verlies van het geheugen,—waartoe, zooals wij zagen, reeds bij gewone afgetrokkenheid eene neiging bestaat,—is te verklaren door de opgedrongene overtuiging van de onmogelijkheid om zich iets te herinneren, en uit de omstandigheid, dat het terugroepende herinneringsvermogen in het gemis van genoegzame zelfwerkzaamheid van het gansche denkvermogen deelt.

Een volkomen vergeten van het verledene, (der werkelijkheid dus), ten gevolge van en in verbinding met eene krachtige en levende bewustheid van het tegenwoordige, zooals men zich dit laatste, krachtens den ontvangen indruk, gedwongen is voor te stellen, geeft den sleutel tot die vernietiging van het gevoel van persoonlijke identiteit, waardoor een man b.v. eene vrouw meent te zijn, of zich een geheel ander persoon waant. (Dr. w.b. carpenter.)

Het zoude misschien niet zoo moeijelijk zijn om de gegevene verklaring, als ik ze met dien naam bestempelen mag, in bijzonderheden te vervolgen en elk merkwaardig verschijnsel op eene vrij bevredigende wijze op te helderen. Het was echter geenszins mijn oogmerk, om een opzettelijk en volledig onderzoek naar den aard der electro-biologische verschijnselen in het werk te stellen, maar alleen, om daarover zooveel mede te deelen, als tot een beknopt overzigt van den geheelen mesmerischen toestand noodzakelijk is; om welke reden ik mij dan ook tot de gegevene algemeene ophelderingen bepaal.

Van de overige verschijnselen, die zich, zoo na de gewone mesmerische manipulatiën, als na de electro-biologische bewerking vertoonen, is de verandering van den bloedsomloop en de ademhaling een verschijnsel, dat bij vele menschen gedurende elke sterke inspanning der gedachte ontstaat, en in zichzelf niets vreemds bezit. Wat de beneveling der oogen, de slaperigheid, het eindelijk intreden van slaap aangaat, zoo merk ik op, dat de staat van afgetrokkenheid, waarover wij reeds zoo lang bezig waren, gelijk zij in haar wezen tot den slapenden en droomenden toestand nadert, zoo ook zeer gemakkelijk in dezen laatsten overgaat. Ieder weet, dat een gedwongen, onafgebroken, vervelend denken aan een enkel onderwerp, dat noch de hartstogten opwekt, noch aan het denk-