Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/374

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 350 —

Wanneer men zich nu eene somnambule voorstelt,—veelal eene zenuwachtige vrouw of meisje, die door gedurig herhaalde bewerkingen nog gevoeliger en zenuwachtiger geworden is, en wier verbeeldingskracht door de met die bewerkingen vergezeld gaande aanhoudende opwekking in een zeer geprikkelden toestand verkeert;—die daarbij onvermijdelijk het hoofd vol heeft van hetgeen zij vernomen heeft en nog gedurig verneemt aangaande de ongewone vermogens en de kunststukken van andere somnambules en clairvoyantes, en zich dus, daar zij toch reeds den toestand van het somnambulisme bereikt heeft, vastelijk verbeeldt, zelve nu ook eene hoogere kennis deelachtig te zullen worden, gezigten te zullen zien, genezingen te zullen verrigten enz.;—en wanneer men daarbij nog in het oog houdt, dat én eene zeer natuurlijke nieuwsgierigheid, én de begeerte, om aan anderen belangwekkend voor te komen, haar dit doet wenschen en er naar doet streven,—dan geloof ik, dat men het zeer natuurlijk vinden zal, dat de verbeelding haar eindelijk in haren droomenden, slaapwandelenden toestand allerlei vreemde voorstellingen voortoovert, en dat zij deze met volle overtuiging als heilige waarheden aanneemt en aan haren bewerker mededeelt. Daarin bestaat echter ook alles, wat wij van de wonderen van het mesmerische slaapwandelen en helderzien mogen gelooven. Men lette hier vooral op de reeds lang opgemerkte omstandigheid, dat hetgeen de clairvoyante gedurende het zoogenaamde helderzien verkondigt, altijd in volkomene overeenstemming is met den aard harer geestesontwikkeling, met de mate harer aangeleerde kundigheden, met de voorstellingen, die zij en haar bewerker zich van het helderzien vormen, met hare geheele persoonlijkheid,—in één woord, dat hare gedurende den mesmerischen slaap ontstane en medegedeelde voorstellingen altijd de blijken dragen van geheel subjectief, in hare eigene ziel ontstaan, en niet door voorwerpen buiten haar opgewekt te zijn. Alle voorstellingen, die eene clairvoyante zich vormt,—ik spreek hier natuurlijk slechts van haar, die ter goeder trouw handelen—alle heldere denkbeelden die zij vermeent te verkrijgen van duistere en verborgene zaken,—de gezigten, de omgang met hoogere wezens, de ingevingen,