Naar inhoud springen

Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/38

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

— 14 —

behooren, en die ook werkelijk de overblijfselen zijn eener vroegere plantenwereld, welke de tegenwoordige is voorafgegaan, maar waarvan zij nog de levende getuigen zijn.

Doch waar zoude ik eindigen, indien ik u alles wilde opnoemen, wat in den weelderigen plantengroei der warme luchtstreek zich aanbeveelt door schoonheid en ongewonen vorm of krachtige ontwikkeling. Ééne familie echter is er, waarop ik nog inzonderheid uwe aandacht moet vestigen, want zij is het, waaraan de keerkringsplantengroei zijne meest eigendommelijke trekken ontleent, en tevens is zij voorzeker eene der merkwaardigste uit het geheele plantenrijk. Ik bedoel de familie der palmen.



Reeds linnaeus noemde de palmen de vorsten der planten, en inderdaad zij zijn onder allen de edelste plantenvorm. Het is vooral hier, dat ik u verzoeken moet door uwe verbeelding het gebrekkige aan te vullen van het beeld, dat ons het zien verschaft van dezulken, die, van uit hun vaderland in onze warme kasten overgebragt, een door kunst onderhouden kwijnend leven leiden. Groot is het aantal soorten dezer familie; men schat het op meer dan duizend