Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/407

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 383 —

berthot en detzem hadden namelijk reeds vooraf kunstmatig bevruchte eijeren van zalmen in eene spanen doos tusschen laagjes van nat zand gebragt. De doos werd gedurende twee maanden bewaard in een koud vertrek, doch waar het niet vroor. Na dit tijdsverloop vertoonden zich de eijertjes gerimpeld, en vóór men hen uit de doos nam, plaatste men deze in water, om de eijeren langzaam weder vochtig te doen worden door het zand heen. Coste, die ook dit mededeelt, bragt dezelve vervolgens in zijnen straks beschreven toestel, en zag er de jonge zalmpjes uit geboren worden.

Nog eene andere gewigtige mededeeling zijn wij aan denzelfden franschen natuuronderzoeker verschuldigd.

Jaarlijks, in de maanden Maart of April, neemt men aan den mond van alle rivieren en stroomen, bij het begin van den nacht, een even zonderling als opmerkelijk schouwspel waar. Myriaden van kleine draadvormige zeer doorschijnende diertjes, van 6 tot 7 Ned. duimen lengte, komen in digte massa's aan de oppervlakte van het water. Zij kunnen dan met zeven, die aan stokken bevestigd zijn, geschept worden, gelijk in sommige streken werkelijk geschiedt, en vertoonen zich als eene levende gelei, die enkel uit deze kleine draadachtige diertjes bestaat. Deze diertjes nu zijn niet anders dan jonge alen of palingen, welke, aan de monden der rivieren ter wereld gekomen, deze trachten op te zwemmen, om zich vervolgens in de kanalen, de beeken, de plassen en meeren, die met de rivier gemeenschap hebben, te verspreiden. Doch vóór zij daar zijn aangekomen, zijn verreweg de meesten reeds de prooi geworden van de hen vervolgende vijanden, zoodat slechts een betrekkelijk gering getal de plaatsen bereikt, waar zij tot meerderen wasdom kunnen geraken. Worden zij echter opgevangen, dan kunnen zij in mandjes tusschen nat gras gepakt per spoortrein of diligence naar de hen wachtende kweekerij worden gezonden, of wel te water in houten vaten, van eenen bodem voorzien, die uit teenen gevlochten is, met openingen wijd genoeg, om het water, maar te naauw om de jonge aaltjes door te laten. Een aantal dier vaten kan dan tot een soort van vlot vereenigd worden, en zoo de rivier opgeboegseerd, naar de plaats hunner bestemming.