Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/432

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 16 —

is knobbelachtig en strekt zich verder dan de onderkaak uit. De Apteryx heeft eenige lange, draadvormige veeren, even als zwarte haren aan den grond van den bek en over den kop verspreid staande. De overige veeren, die het ligchaam bedekken, zijn los, en zeer gelijk aan die van den kasuwaris, maar zonder dubbel te zijn. Bij de vederen van vele vogels namelijk komt uit een groefje aan de binnenvlakte van de schacht eene nevenveder te voorschijn, die bij den kasuwaris de hoofdveder in grootte evenaart. De pooten van Apteryx zijn met harde, hoornachtige schubben bedekt, die aan de voorzijde grooter zijn. De drie voortoonen zijn van boven met dwarse hoornplaatjes bedekt. Zij hebben aan den grond geene uitbreiding der huid, waardoor zij met elkander vereenigd zouden zijn. De duim of achterste toon ligt aan de binnenzijde, hoog op den voet, en raakt met den naar beneden gebogen nagel niet tot den grond. Deze nagel gelijkt bijkans op de spoor van eenen haan. De Nieuw-Zeelanders geven aan dezen vogel den naam van Kivi of Kiwi. Aangaande zijne levenswijze en huishouding is weinig bekend. Men meent, dat hij zich van insekten, wormen en slakken voedt. Hij loopt schielijk, en is over verschillende deelen van Nieuw-Zeeland verspreid, vooral daar, waar digt bijeen groeijende varens, die op dat eiland zeer menigvuldig zijn, hem eene schuilplaats aanbieden. Zijn nest is een hol op den grond.

Onder de laatst ontvangen bezendingen van vogelbeenderen van Nieuw-Zeeland, die owen bekend maakte, waren ook eenige beenderen, die blijkbaar van het geslacht Apteryx afkomstig waren. Daar zij in dezelfde plaatsen met de beenderen van Dinornis gevonden waren, en daar men ook reeds overblijfsels van Notornis gevonden had, voor dat men den levenden vogel op Nieuw-Zeeland ontdekte, kan daardoor op nieuw voedsel gegeven worden aan de gissing, dat deze groote vogels nog ergens op het uitgestrekte land leven, dat de tegenvoeters van ons Zuid-Westelijk Europa bewonen. Maar liever dan aan deze gissing toe te geven, willen wij uit deze waarneming het onloochenbaar gevolg afleiden, dat een Apteryx, hetzij dan van dezelfde soort als eene der twee tegenwoordig levende, hetzij van eene zeer gelijke, gelijktijdig met de onderschei-