Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/482

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 64 -

schutting dier ineengekronkelde dennenkoppen wassen verscheidene planten, die door het geweld der stormen op het gebergte daar anders niet zouden kunnen leven. Op plaatsen, vooral naar de zijde van Bohemen, waar men voor de bewaring van het kniehout niet genoeg gezorgd heeft, is op menige plaats de weide voor het vee geheel verdwenen, en niets dan de kale rots overgebleven.

Daar de digt ineengedrongene takken veel hout geven, is de afhouwing van dit hout voordeelig; doch het benadeelt deze bergstreken, om de aangevoerde redenen, alleraanmerkelijkst (Ratzeburg Reisen p. 371–378).

Dit kniehout is de Pinus pumilio van haenke (Reisen nach dem Riesengebirge p. 68) en hoogst waarschijnlijk ook de P. Mughus van scopoli (Flora Carniolica II p. 247). Het wast in de Sudeten, Karpathen en in Zwitserland.

Zie ratzeburg, Forstnaturwissenschaftliche Reisen. Berlin 1842 p. 298–305.

v. H.