Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/495

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 77 —

hoeveelheid hout te kennen, die tot de vorming van eene zekere hoeveelheid steenkolen noodig is, schijnt men veilig te mogen besluiten, dat zoodanige oorzaken niet toereikende zijn, om daarvan zulke dikke kolenlagen af te leiden. Bovendien ziet men, dat het drijfhout, hetgeen zich aan de monden der rivieren of in meren ophoopt, wanneer het geheel en al door water doordrongen en specifiek zwaarder geworden is, naar den bodem daalt. Zulke aanvoeren hebben bij tusschenpoozen plaats, zand en slijk plaatsen zich daartusschen en scheiden de lagen van elkander. De vorm der kolenlagen zou zich derhalve moeten voordoen als van grootere of kleinere evenwijdige vlotten, die door thonschiefer (versteende kleisoort), mergel en zandsteen van elkander zijn gescheiden. Zoo komen ook werkelijk de ophoopingen van kolen voor, verscheidene in aantal, meerder of minder dik en doorgaans evenwijdig aan elkander. De ontzettende dikte der kolenlagen maakt echter haren oorsprong van drijvend hout onaannemelijk. De groote dikte der tusschenlagen pleit tegen het jaarlijks ontstaan en vermeerderen der lagen, terwijl eindelijk de afwezigheid van aardachtige en minerale bestanddeelen tusschen de massa der steenkolen zelve een zeer opmerkelijk verschijnsel is. Zulk een toestand is ondenkbaar, als men aanneemt, dat door toevallig losgerukte boomstammen met hunne wortels en takken, in hun geheel, of als brokstukken opeengehoopt, de steenkolenlagen zouden ontstaan zijn. Dan toch zoude men slijk en zand tusschen de houtmassa vinden, en deze stoffen zouden haar, zoo al niet geheel doordrongen, althans oppervlakkig vervuld hebben. Kolen en thonschiefer zouden niet met elkander laagswijze afwisselen, maar door elkander vermengd liggen, welk laatste niet het geval is. De grenzen der kolenlagen bieden wel eens oscillatiën (d.i. nu eens eene verhevener, dan weder eene lagere ligging) aan, maar zij zijn doorgaans regelmatig en toonen zelfs geene sporen van de oppervlakkige deelen van de stammen. Dit en de gesteldheid van de steenkool zelve, eindelijk de aan de grenzen der lagen voorkomende en zeer goed bewaarde afdrukken van bladachtige en zelfs zeer teedere plantendeelen, vaak zoo goed bewaard, als waren zij met zorg tusschen papier gelegd geworden,—dit alles bewijst tegen de door middel van het water van elders