Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/548

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 130 —

tegenwoordig alom verspreiden, ook verder gebragt dan immer te voren, in het vinden van voldoende antwoorden op landbouwvragen. Men is beginnen te begrijpen, dat hier de wetenschappen te hulp geroepen dienden te worden, en dat men niet meer tevreden mogt zijn met de antwoorden, welke men zich van oudsher trachtte te geven. Wanneer men voormaals toch over het groeijen van planten redeneerde, deed men die met hare wortels, bij wijze van monden, voedsel tot zich nemen, eten en drinken, alsof 't vette varkens waren die gemest werden, of als menschen, die, door krachtig voedsel versterkt, door sommige spijzen, als mosterd en peper werkend, opgewekt konden worden; ja zelfs was men er niet vreemd van om aan te nemen, dat eene klaverplant met hare uitwerpselen, alsof 't een schaap ware, den grond bemestte. Omdat tusschen nieuwe en volle maan hare halve verlichte oppervlakte meer zigtbaar wordt, zich vergroot of aangroeit in de oogen van de bewoners der aarde, moest vrouw Luna het groeijen van planten, haren, wol, en wat al niet meer, beheerschen; groeikracht opwekken gedurende hare maandelijksche periode van lichten, groeikracht tegengaan wanneer hare verlichte oppervlakte, in onze menschelijke oogen verminderde. Alle zaken, waarvan men het ontstaan niet regtstreeks begreep, deed men uit de lucht vallen, honigdauw op de erwten, schimmelplantjes op de aardappels, de longziekte op het rundvee, alles viel uit de lucht; sommigen zelfs hebben de aardappelziekte, bij wijze van nevel, zien neder vallen. En wanneer eindelijk noch de eene noch de andere verklaring meer passen wilde, dan behielp men zich met onzigtbare, zelfs onbespeurbare oorzaken. Krachten en werktuigen werden opgezocht, die alleen in een door bijgeloof verhit brein konden uitgebroeid worden; verschijnselen, die den landbouwer op zijnen akker of in zijnen veestal te onpas kwamen, werden terstond aan hekserij en tooverij geweten; eene verklaringswijze van verschijnselen die begint bij de rogge, welke in windhaver verandert, of de keldermot, waaruit een wandluis groeit, en eindigt bij het oude besje, dat in de gedaante van eenen haas aan den voorbijganger poetsen speelt, of bij de heks, die verbrand wordt, omdat de koeijen geen melk geven.