Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/560

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 142 —

schenheugen geenen mest ontvangen hebbende, evenwel, slechts door braken, zeer rijke oogsten afwerpen.

Nu zijn wij van zelf op het braken te regt gekomen. Bij het braken of zomervagen, laat men den akker gedurende den winter en het daarop volgende voorjaar liggen, maar ploegt en herploegt hem. Uit het zoo even gezegde is het nu blijkbaar, waarom het braken vooral, hier te lande uitsluitend alleen, op de kleigronden plaats vindt. Bij dezen namelijk is een voornaam gedeelte van het plantenvoedsel voorhanden, en vereischt slechts bereiding door inwerking van lucht en water, terwijl bij de zandgronden dat voedsel hoofdzakelijk door den mest moet worden aangebragt. Die scheikundige handeling van braken geschiedt alzoo met een veel hooger doel dan alleen om den grond los te maken, en men ontziet daaraan dan ook geene moeite. Mest wordt er dus uitgespaard, maar daarentegen is minstens vijfmaal ploegen in zware kleigronden, en een keer of drie eggen, met drie en vier paarden, voorwaar geene kleinigheid.

De boer ploegt vervolgens ook om den mest, welken hij op den akker gebragt heeft, met den bouwgrond te vermengen. Dit behoeft geene nadere beschouwing, maar dat hij ploegt en egt ten einde de onkruidplanten te dooden, die altijd en op alle akkers, zelfs op de zorgvuldigst behandelde, opslaan, verdient nog dat wij er even bij stilstaan. Van waar komt toch al dat onkruid? is de dagelijksche uitroep van den landman, vooral van diegenen, zoo als er velen zijn, welke zich maar niet overtuigen kunnen dat alle planten, althans de zoogenaamde onkruidplanten uit zaad ontstaan; dat vele zaden, vooral degene, welke olie bevatten, zeer lang hun kiemvermogen bewaren, gedurende jaren onder den grond bedolven kunnen blijven, doch, zoodra zij weder aan de oppervlakte komen, ontkiemen en welig opschieten; dat andere, gelijk die der distels, van vleugeltjes voorzien zijn en tot rijpheid gekomen door den wind heinde en ver worden uitgezaaid, zoodat eenige distelplanten in staat zijn om een geheel veld te bezaaijen; dat vele onkruidplanten, zoo als de welbekende vogelvoet, zich onder de zomergewassen ontwikkelen, nadat die reeds te groot zijn om gewied of geschoffeld te kunnen worden en rijp zaad uitstrooijen, voordat de oogst begint; dat zeer veel onkruidzaad