Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/563

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


DE WONDERBOOM

IN DEN HAARLEMMERHOUT.

 

DOOR

 

P. HARTING.

 

 

Lezer, waart gij immer in den Haarlemmerhout? Zoo niet, dan zijt gij onbekend met een der merkwaardigste plekjes van onzen vaderlandschen bodem. Merkwaardig niet alleen om de schoonheid en liefelijkheid van zijne lommerrijke wandeldreven, en om zocher's kunst, die de natuur verfraaid heeft, zonder haar geweld aan te doen, noch ook enkel om het zoo vele kunstschatten herbergende paviljoen, op welks prachtigen voorgevel telkens wederom het oog met welgevallen rust, wanneer het slingerende pad een nieuw uitzigt daarop opent, maar vooral om de vele herinneringen, welke hier als van zelve bij den denkenden wandelaar opkomen. Hier toch droomt hij zich terug in die overoude tijden, toen een groot gedeelte van ons vaderland met eeuwen oude bosschen bedekt was, de woonplaatsen van wolven, wilde zwijnen, herten en andere wilde dieren; maar ook vaak een veilig toevlugtsoord voor de bewoners, wanneer een overmagtige vijand hen uit hunne woonsteden verjaagd had, of de plaats hunner zamenkomsten, wanneer het gold maatregelen te beramen om den gemeenen vijand te bestrijden, en ten alle tijde in hun oog geheiligd als tempels, waarin zij hunne goden aanbaden. Voor het oog zijner verbeelding herrijzen de forsche gestalten dier eerste bewoners, ruw en woest van zeden, doch dapper en trouw. Allengs verandert het tooneel. Een groot gedeelte dier overoude wouden verdwijnt, en wordt vervangen door welige landsdouwen, te midden waarvan zich hier en daar versterkte sloten en ommuurde steden verheffen.