Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/59

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 35 —

contrasten te weeg brengen, en daarvan eene redelijke verklaring trachten te geven, die niet op vooraf aangenomen begrippen berust, maar aan de verschijnselen zelve ontleend is. De wetenschap, die wij planten-natuurleer noemen, stelt zich zulke nasporingen ten doel. Een ijverig en onbevooroordeeld onderzoek heeft reeds veel opgehelderd. Onze kennis is nogtans zeer beperkt, indien wij nagaan hoe schier grenzeloos groot het veld van ons onderzoek is. Veel is er, wat wij welligt nooit zullen verstaan. Maar, dit moet ons niet ontmoedigen om immer te willen voorwaarts streven. Elke goede opmerking of waarneming is eene aanwinst, is bouwstof voor goede grondslagen der wetenschap.

Wilt gij, Lezer, ons volgen? Wij willen ons te zamen in onze gedachten verplaatsen midden in de groote werkplaatsen der natuur, en daar aandachtig gadeslaan wat zij verrigt, en op welke wijze zij dit ten uitvoer brengt. Wie weet, of wij er niet toe zullen komen om het een' of ander' van die groote contrasten, die wij zoo even vermeld hebben, te verklaren, en te ontraadselen, wat bij den eersten aanblik voor geene oplossing vatbaar schijnt. Welaan, slaan wij te zamen eenige blikken in het planten-leven.

Als men eene plant uitwendig en oppervlakkig beschouwt, zou men wel niet vermoeden dat zij een zoo voortreffelijk schoon innerlijk maaksel heeft. Dit echter is uit zoo kleine deelen zamengesteld, dat het scherpziendst oog ze niet vermag te onderscheiden of te erkennen. Men bezigt daartoe werktuigen, die wij mikroskopen noemen, uit een zamenstel van geslepen' glazen bestaande, die het vermogen hebben om kleine voorwerpen vaak honderden malen schijnbaar te vergrooten, en die ons dus den weg banen om te leeren kennen, wat anders aan de waarneming door onze bloote zintuigen te eenenmale zou onttrokken zijn. Dit werktuig werd op het laatst der 16e of het begin der 17de eeuw in ons vaderland uitgevonden, en is vooral sedert de laatste jaren tot eene te voren ongekende volkomenheid gebragt. Het leert ons, dat de planten aanvankelijk bestaan uit blaasjes of vliesjes, die eene holte hebben, of liever, die eene zekere ruimte begrenzen,—die meest bolrond zijn,—die later, als ze aan elkander sluiten, van gedaante veranderen, vaak verlengd worden,—en