Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 36 —

die, onderling verbonden, het geheel vormen, dat wij plantenweefsel noemen. Dit vliesje is kleurloos, doorschijnend, zonder openingen; het bevat vochten, en in die vochten zijn onderscheidene stoffen, voortbrengselen van den wasdom, opgelost, of deze bevinden zich daarin in vasten toestand. Die blaasjes nemen vloeistoffen, vooral water, van buiten op; zij voeren ze in de naast aanliggende blaasjes of cellen over; en zoo wordt het vocht, dat de uiterste cellen van den wortel uit den grond opnemen, opgevoerd en in alle rigtingen door het geheele gewas bewogen, en wordt de bron voor de vorming van al de verschillende deelen waaruit de planten bestaan, en die, hoezeer allen naar eenen en denzelfden grondslag ontstaan, echter ieder op zich zelve gewijzigd zijn en eene min of meer bepaalde dienst hebben te verrigten, en alzoo elk het hunne toebrengen ter instandhouding van het geheel. Zoo moet de wortel geheel andere diensten verrigten dan de bladen, en deze weder tot andere einden dienen dan de bloem, de vrucht, het zaad, enz.

Hoewel de vliesjes, die de zoogenoemde cellen omgeven of begrenzen, gesloten zijn en niet met openingen voorzien, zoo zijn ze nogtans doordringbaar voor vloeistoffen. Deze eigenschap is aan vliezen van de ligchamen der dieren en van de planten beide gemeen. De eenvoudigste voorbeelden bewijzen dit. Als men eene blaas met water gevuld en wel toegebonden aan de lucht blootstelt, dan zal al het water, door verdamping op de oppervlakte, verloren gaan en de blaas ten laatste zamenvallen, en dit niettegenstaande ze geene openingen heeft. Hoe dunner het vlies der blaas is, des te eer zal de vloeistof geheel verloren gaan. Als men nu vliezen met de beide oppervlakten aan verschillende vloeistoffen blootstelt, dan dringen ze beide door het vlies heen en vermengen zich met elkander. De mate, waarin dit plaats heeft, hangt veel af van den aard der stoffen, welke men bezigt. De dunnere vloeistof echter dringt veel meer door dan de dikkere. Een bewijs hiervoor kan men vinden bij eene kalfsblaas, die voor de helft is gevuld met wit van eijeren. Men legge haar in water, zij zal opzwellen en bersten. Men legge daarentegen eene zoodanige blaas met water gevuld in eiwit, zij zal zich ontledigen en te zamen vallen. Merkwaardige eigen-