Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/603

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 183 —

h. e. strickland en a. g. melville the Dodo and its kindred aanleiding gaven. Een tweede poot, hoewel ongetwijfeld van een ander exemplaar, bevindt zich in het Britsche Museum te Londen, alwaar het door de Royal-Society werd overgebragt. Men vindt haar vermeld in Catalogue of part of those rarities collected in thirty years time with a great deal of pains and industry by one of his Majestie's sworn servants R. U. alias forges gentleman, 1664. Een derde fragment bezit men in eenen schedel van het Museum te Koppenhagen, eerst door olearius reeds in 1666 vermeld, en later vergeten, totdat c. reinhardt hem op nieuw te voorschijn bragt. Bij den Hoogleeraar pauw te Leiden werd in 1605 eene poot van den Dodo bewaard en aldaar door clusius gezien. Men weet niet waar deze gebleven is.

Ziedaar de eenige grondslagen voor de natuurlijke geschiedenis van een uitgestorven dier, waarbij men alleen de beschrijving kan voegen, door de reizigers medegedeeld, en het berigt dat deze vogel veel steenen inslikte, en men deze ook in zijne maag vond.

De beschrijving zoowel als de afbeelding leeren, dat de Dodo een zware en logge vogel was, van weinig sierlijke gedaante, waarvan de dikke romp door korte en zware pooten gedragen werd. Achterwaarts eindigt de romp in eenen korten en stompen stuit, waarop eenige op zich zelve staande en omgebogen staartveders gedragen worden. De hals is kort en dik en sterk ingebogen, hetgeen vermoedelijk door den zwaren kop en bek wordt te weeg gebragt. De kaken beslaan toch ongeveer drie vierde der geheele lengte van het reusachtige hoofd. Hierdoor is de schedel zeer kort, althans naar evenredigheid; daarbij zeer breed, en van achteren op aanmerkelijke wijze afgeplat, waardoor het profil een vreemd uitzigt krijgt, vooral ook wegens de snelle welving van het voorhoofd boven de oogen, die rond en klein, en als het ware aan den wortel der bovenkaak in haar naakt gedeelte ingekast zijn. De zware bovenkaak gaat van voren in een omgebogen haak over, en buigt zich over de schuins afgeknotte onderkaak heen. Zij is van voren in eene hoornschede ingevat, en wordt achterwaarts met eene naakte huid bekleed, waarin vlak bij den achterrand der hoornschede, en op de hoogte van eene