Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/612

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 192 —

Des zilvren klokjes wekgeluid
Roept ze allen, voor en na;
Het goud der boterbloem[1] ontspruit,
't Blaauw der Hepatica,[2]
En lieflijk dauwt op 't windgerucht
Viooltjes[3] ) geur door d'avondlucht.

Zie, hoe zij prijkt, die bonte schaar,
In telkens schooner kleed:
Hier tulp[4] , hier sleutelbloem[5] , en daar
't fluweel van 't grastapeet ,
En blanke en goudgele Anemoon[6]
Voltooijen 't schoon der lentekroon.

Steeds verder strekt zich 't bloemgebied
Dat bosch en veld omboordt;
Des klokjes zilverkleur verschiet; —
Bij 's leeuwriks blijd' akkoord
En 't schettrend nachtegaal-gefluit ,
Verstomt des klokjes maatgeluid.

En eindlijk, als de zomer daalt
In volle majesteit,
Een zee van kleur en klanken straalt.
Heel 't aardrijk overspreidt,
Dan keert het klokje in 't duister weer
En legt zijn blijden feestdosch neer.

 1848.

H.C. van Hall. 

Zeer vrij gevolgd naar het Hoogd. van Radda. Zie Flora, Botanische Zeitung,

1826, S.129.

  1. Ranunculus Ficaria of Ficaria verna.
  2. Anemone Hepatica of Hepatica triloba.
  3. Viola odorata.
  4. Tulipa suaveolens en Gesneriana.
  5. Primula veris en elatior.
  6. Anemone nemorosa en ranunculoides.