Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/641

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 221 —

Zouden dan de vereenigde invloeden van klimaat, levenswijze, voedsel, meerdere of mindere beschaving, werkelijk geheel alleen de oorzaken zijn van al het verschil tusschen blanken en Negers, ja, in het algemeen, tusschen al de verscheidenheden der menschen? Ik waag het niet om op deze vraag een beslissend andwoord te geven. Zagen wij echter, hoe de genoemde invloeden waarlijk in staat zijn om de huidkleur, den haargroei en zelfs den vorm des hoofds en des aangezigts aanmerkelijk te wijzigen; toonde ik tevens aan, dat de meer of minder sterke inwerking van juist die invloeden, van welke wij de voortbrenging van den Negertypus zouden kunnen verwachten, werkelijk bij de Negervolken gepaard gaat met de meer of minder sterke uitdrukking van dien typus,—dan mogen wij ten minste, in de eerste plaats, hieruit besluiten tot het minder wezenlijke van het onderscheid tusschen blanken en Negers, en vervolgens ook vermoeden, dat dit onderscheid inderdaad het gevolg is van de inwerking der genoemde oorzaken.

De voorstanders van het gevoelen, dat de verscheidenheden des menschelijken geslachts, met name de blanken en Negers, verschillende menschensoorten, en niet slechts verschillende rassen zijn, beroepen zich op de onveranderlijkheid van de onderscheidene eigenschappen der blanken en der Negers, wanneer de eerste in een heet, de tweede in een noordelijk klimaat leven, — terwijl daarentegen de verschillende rassen onzer huisdieren, in vreemde landen overgebragt, spoedig verbasteren en in elkander oversaan.—Indien dit zoo ware, dan zoude men daarom nog niet zoo geheel regt hebben om, in dit opzigt, van de huisdieren tot den mensch te besluiten. Immers, het verschil in wijzigende omstandigheden, dat bij de dieren het verschil in ras voortbrengt, is nimmer zóó groot, zóó diep ingrijpend, als het bij den mensch is; gedeeltelijk zelfs vervalt het bij hen,—b.v. het verschil in beschaving, hetgeen bij den mensch vooral op den vorm zoo krachtig inwerkt. Men mag dus veronderstellen, dat de daardoor voortgebragte wijzigingen bij het dier minder diep geworteld, en daardoor minder standvastig, spoediger uit te wisschen moeten zijn. Maar bovendien, die onveranderlijkheid van de kenmerkende eigen-