Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/640

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 220 —

ellendige levenswijze, waaronder de ontwikkeling van het geheele organisme lijdt,—maar daarbij vooral ook van het volslagen gemis aan verstandelijke en zedelijke ontwikkeling, dat vaak het treurig erfdeel is van een aantal op elkander volgende generatiën. Oefening bevordert behoorlijke ontwikkeling, gebrek daaraan belemmert die. Worden de hersenen, het werktuig der ziel, niet geoefend, dan missen zij eene voorwaarde tot hunne behoorlijke ontwikkeling, en blijft dit zoo gedurende eenige achtereenvolgende geslachten, dan wordt dat gebrek aan ontwikkeling, waaraan ook het omkleedsel der hersenen, de schedel, deelneemt, een vast, erfelijk kenmerk, terwijl naar diezelfde mate bij den verstandelijk achtergeblevenen, grof zinnelijken mensch, de kaauwwerktuigen eene grootere ontwikkeling ontvangen. Van dien invloed, welken ligchamelijke en verstandelijke verwaarloozing met den tijd op den vorm des ligchaams, bijzonder op de gelaatstrekken uitoefenen, draagt in sommige streken van Europa de massa der bevolking de sporen in een grof gebeend gelaat, dat niet dan stompheid teekent. Maar nergens vinden wij daarvan een treffender bewijs, dan in die Ieren, die omstreeks tweehonderd jaren geleden uit de graafschappen Antrim en Down naar de westelijke bergstreken van Ierland, Majo en Sligo, verjaagd en daar aan hooggaande ellende prijs gegeven werden. Hunne nakomelingen verschillen ten gevolge daarvan geheel van de inwoners der genoemde graafschappen, hunne stamgenooten, die een welgemaakt, schoon volk zijn. Zij zijn klein, slecht gebouwd, met kromme knieën en een dikken buik, en bezitten een terugstootend gelaat met een' platten neus, uitpuilende jukbeenderen, vooruitstekende kaken en tanden, en een openen mond.—Ook het verschil, dat men in gelaatsvorm bij de Negervolken opmerkt, blijkt met hunne levenswijze en meerdere of mindere beschaving in verband te staan. Die negerstammen toch, die het beschaafdst zijn (de Jolofs, Foelah's, Mandingo's, Haoussa's en meer anderen) bezitten ook eenen minder sterk uitgedrukten Negervorm. Het tegenovergestelde is het geval met de Guineesche en Benin-negers, alsmede met eenige stammen van de Oostkust, die tot de leelijksten en tevens tot de onbeschaafdsten behooren.