Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/639

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is niet proefgelezen

— 219 —

fijnwollig schapenras in dit opzigt verbasteren, wanneer dat ras in een gewest is overgebragt, waar de inheemsche schapen van nature grove wol dragen, kunnen wij reeds binnen de grenzen van ons vaderland waarnemen; onder de keerkringen verliezen de Europeesche schapen hunne wol geheel, en krijgen er hard, kort haar voor in de plaats. Nemen wij daarbij nu het groot verschil in aanmerking, dat ten opzigte van de kleur en den groei des haars bestaan kan onder ééne natie, ja onder de leden van ééne familie, dan is het aangevoerde genoegzaam om ons te doen zien, • dat ook het wolhaar van den Neger geen wezenlijk punt van verschil tusschen hem en den Europeaan opleveren kan.

Van meer belang voorzeker is het verschil in den vorm van het beenig hoofd tusschen Europeanen en Negers. Maar ook dit verschil is niet van zulk een groot gewigt, als men vermoeden zou. Immers, "het beenig hoofd van een Neger," zegt blumenbach, "verschilt niet meer van dat van een Europeaan, dan de kop van een tam zwijn van dien van een wild zwijn, of de kop van een Napolitaansch paard, dat men van wege de gelijkvormigheid ramshoofdig noemt, van dien van een Hongaarsch paard, die te kennen is aan deszelfs buitengewone kortheid en aan de breedte van de onderkaak." Men weet, dat er paardenrassen zijn met gebogene, andere met regte, wederom andere met ingebogene koppen,—om niet te spreken van andere verscheidenheden in vorm. Toch twijfelt men er niet aan, of het tamme zwijn stamt af van het wilde, en alle de paardenrassen worden tot ééne soort gebragt. In het algemeen, hoe groot is niet het onderscheid, ook in vorm, tusschen de onderscheidene rassen onzer huisdieren in verschillende landstreken! Maar ook bij menschen, die ontegenzeggelijk tot dezelfde natie behooren, treffen wij dergelijke verscheidenheden aan, die duidelijk, even als dit bij de genoemde dieren het geval is, de inwerking van een zamenloop van uitwendige omstandigheden tot oorzaak hebben. Onder de laagste volksklasse in onze groote steden ontmoet men er, wier verdierlijkt uitzigt, kleine schedel, groote kaken, breede neus en dikke lippen vaak eene opmerkelijke toenadering tot den Negertypus vertoonen. Het is het gevolg van de armoede en de