Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/679

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 259 —

De kabel of ketting wordt opgetrokken hetzij door middel van een gewoon windas door menschen bewogen, of door het touw op schijven te winden, welke den vorm hebben van twee afgeknotte kegels (fig. 8.) met de grondvlakken op elkander geplaatst. Om den eenen kegel wordt het touw opgewonden, waaraan de geladene tonnen zijn bevestigd, van den anderen kegel wordt het touw met de ledige tonnen afgerold. Deze schijven zijn kegelvormig, omdat de last bij het opwinden van het touw vermindert, en de nederdalende last door het afwinden van het touw telkens vermeerdert, en alzoo meer kracht op den anderen kegel uitoefent. De inrigting moet zoo zijn, dat de aan te wenden kracht gedurende de geheele beweging zooveel mogelijk gelijk is. Dit werktuig wordt door paarden of door stoom bewogen.

In eene 498 el diepe steenkolenmijn, eene der diepste van Sunderland, worden de kolen in tonnen van plaatijzer opgetrokken; elke ton weegt ledig 750 en geladen 1500 pond. De kabel wordt op eenen trommel van 4,12 el middellijn gewonden, welke middellijn met den opgerolden kabel 7 el is; de beweging wordt door een stoomwerktuig van 70 paardenkracht gegeven.—Bij diepe mijnen is het gewigt van het touw, in verhouding tot den last welke opgetrokken kan worden, zeer groot. In de kolenmijnen van het Departement du Nord in Frankrijk rekent men, dat bij een 400 el diepen put het gewigt van den kabel 2000, dat van de lading 750 en van de ton 250 pond is; daar nu het gewigt van de ton buiten rekening kan gelaten worden, omdat de nederdalende evenwigt met de naar boven gaande maakt, zoo moet bij het begin der beweging, 2750 pond opgetrokken worden, om 750 pond, dat is slechts ruim een vierde, nuttigen last naar boven te brengen.

Om in de putten neder te dalen, of daaruit op te stijgen, gebruikt men in sommige mijnen ijzeren of houten ladders, in andere worden de mijnwerkers in tonnen of wagens nedergelaten en opgetrokken, of zitten zij op zoogenaamde knechten,—dat zijn aan den kabel vastgemaakte lederen riemen, waarvan de een dient om op te zitten, de andere om met den rug tegen te leunen. Bij het nederdalen moet men voorzigtig zijn en zorg dragen, dat de kabel niet te zwaar belast worde en men niet aan het gesteente of