Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/709

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

ONZE KAGCHELS.

DOOR

W. M. LOGEMAN.

 

 

Als dit stukje het licht ziet, dan zal het, hoop ik, wel het eenigste zijn, dat ons dan reeds aan de als attribuut van den winter gansch niet aangename zaak, eene kunstmatige verwarming van onze vertrekken, herinnert. Wij hebben ons dit jaar zoolang met kunstwarmte moeten behelpen, dat eene vroege noodzakelijkheid om weder daartoe onze toevlugt te nemen ons nu dubbel onaangenaam zijn zou. Evenwel, al wordt ons het lange aanhouden der winterkoude in het vorige saisoen door een' evenredigen duur van eene mildere temperatuur vergoed, toch kan het niet lang meer duren, of een paar gure avonden zullen ons doen besluiten den smid te doen weten, dat hij "de kagchels zetten" moet.

Hebt ge goede kagchels, lezer?—Wel, zegt ge misschien, dat is eene zonderlinge vraag; ik heb er een paar met open vuur, omdat mij dit het vrolijkst toeschijnt en ook naar men zegt het gezondst is, ook een of twee circuleerkagchels misschien, en verder op slaapkamer en kinderkamer een paar kolommetjes, eenvoudig weg, want daar behoeft het nu juist zoo mooi niet te wezen.—Nu ja, er zijn een aantal soorten van kagchels, en over hare meerdere of mindere fraaiheid als meubels willen we nu niet spreken; maar zijn ze, elk in hare soort en den u meest welgevalligen vorm, goed, doelmatig ingerigt? Nu haalt ge welligt de schouders op en zegt: zij geven nog al warmte, en verder is het de zaak van den smid, die ze mij geleverd heeft.