Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/711

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 291 —

wetten den mensch aanbrengt, alleen afmeet naar de groote en grootsche toepassingen daarvan, zoo als het stoomwerktuig en de electrische telegraaf, een bewijs te leveren van de in mijn oog onomstootelijke waarheid, dat deze wetenschap nog veel grooter nut kan aanbrengen, nog veel meer veelzijdig nut althans, door de regtstreeksche toepassingen, die daarvan kunnen gemaakt worden op het, in den strikten zin van het woord, dagelijksch leven.

Het eerste en voornaamste vereischte van eene goede kagchel is zeker, dat zij eene zoo groot mogelijke hoeveelheid warmte verspreide, met eene zoo klein mogelijke hoeveelheid brandstof; of, als wij dit bepaalder willen uitdrukken, 1°. dat de brandstof, die zij verbruikt, daarin verbrande onder zoodanige omstandigheden, dat alle warmte ontwikkeld worde, welke deze in de gunstigste omstandigheden daarbij ontwikkelen kan, en 2°. dat alle die warmte, of ten minste verreweg het grootste gedeelte daarvan, in het vertrek, dat door de kagchel verwarmd worden moet, verspreid worde. Wij willen, om met meer gemak later te kunnen nagaan, in hoeverre wij van de meest gebruikelijke kagchels het voldoen aan deze voorwaarden kunnen verwachten, hier achtereenvolgens de beide genoemde verschijnselen, het ontwikkelen van warmte door verbranding en de verspreiding daarvan, wat nader beschouwen.




Wat is verbranding? ziedaar dus de eerste vraag, die hier beantwoord worden moet. Verbranding is de scheikundige verbinding van twee stoffen, onder ontwikkeling van eene zoo groote mate van warmte, dat daardoor eene dier beide, zoowel als die welke zij door hunne verbinding vormen, gloeijend en dus lichtgevend worde. Het kenmerk van eene scheikundige verbinding, waardoor deze zich van eene eenvoudige vermenging van twee stoffen onderscheidt, kan hier het best door een voorbeeld worden aangetoond. Men neme eenig ijzervijlsel en eene ongeveer gelijke hoeveelheid fijn gestoten zwavel, en menge dit ondereen. Zoo als dit mengsel daar nu ligt, zijn de beide stoffen, zwavel en ijzer, daarin nog niet scheikundig verbonden; want zij zijn daarin nog, elk op zich zelve, voorhanden.