Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/713

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 293 —

geraken. Op deze wijze zal de verbranding voortgaan en aanhouden, totdat alle brandstof is verteerd, mits de zuurstof, die zich met het brandende ligchaam vereenigen moet, in behoorlijke hoeveelheid gestadig worde aangevoerd, en de producten der verbranding—die stoffen, welke door de verbinding van de brandstof en de zuurstof gevormd worden en die steeds gasvormig zijn—behoorlijk kunnen ontwijken. Wij zijn gewoon deze beide vereischten, wanneer de verbranding in eene gedeeltelijk gesloten ruimte, in eene kagchel dus b.v., geschiedt, gezamenlijk uit te drukken door te zeggen: de kagchel moet goed trekken.

Om zich van de wijze, waarop dit "trekken" geschiedt, eene klare voorstelling te kunnen maken, kan men een paar zeer eenvoudige proeven doen. Men neme een stukje was- of vetkaars, ter lengte van een vingerlid, en plaatse dit op een plat kurkje of plankje, ter grootte van eenen rijksdaalder. Dit kaarsje aangestoken hebbende, neme men een gewoon lampenglas, waarvan de onderrand effen en niet, zoo als wel eens het geval is, bultig en ongelijk is, en plaatse dit over het kaarsje heen, zoodat dit glas van onderen door het houten of kurken schijfje geheel afgesloten zij. Het kaarsje, dat eerst helder brandde, gaat nu spoedig uit. Maar steekt men het weder aan, en plaatst er het glas weder over heen, maar nu zorg dragende om dit op een paar stukjes hout of dergelijke te stellen, die op het schijfje zijn gelegd, waardoor dus eenige ruimte tusschen dit en den rand van het glas open blijft,—dan brandt het rustig voort. Bedekt men het glas nu evenwel van boven, terwijl het van onderen open blijft, dan gaat het vlammetje even zoo spoedig uit als bij de eerste proef. In beide gevallen ontbraken er eene der voorwaarden, die ik boven als onontbeerlijk voor den rustigen voortgang der verbranding heb opgenoemd; eerst de vrije toetreding der dampkringslucht, dus van de zuurstof, daarin bevat, en later de vrije afvoer van de producten der verbranding. In de tweede proef, toen beide voorwaarden behoorlijk vervuld werden, brandde het vlammetje rustig voort; herhaalt men die met een klein toevoegsel, dan kan men daarbij ook gemakkelijk bespeuren, hoezij vervuld werden. Houdt men namelijk, terwijl het kaarsje brandt, digt bij de opening, die van onderen