Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/714

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 294 —

tusschen den rand van het glas en het schijfje is overgelaten, een pas uitgeblazen en dus nog rookend waspitje,—zoo als men dit algemeen tot het aansteken van lampen aanwendt,—dan toont de daarvan opstijgende rook duidelijk aan, wat eigenlijk bij het branden in het glas geschiedt, want wij zien dien, zich naar de opening toebuigend, in het glas getrokken worden, en, na daarin een' fraai gekronkelden weg te hebben afgelegd, dit van boven weder verlaten. Hoe het nu komt, dat de buitenlucht zoo in het glas wordt getrokken en er van boven weder uitvloeit, zal gemakkelijk te begrijpen zijn, wanneer men in aanmerking neemt, dat, even als alle andere ligchamen, de lucht, verwarmd wordende, zich uitzet, en dat zij daardoor noodzakelijk ligter worden moet dan andere, niet verwarmde lucht. Verwarmde lucht moet dus, als zij door koudere omringd is, opstijgen, even als een stuk hout of kurk, dat men, na het onder water te hebben gedompeld, loslaat. De lucht dus, die in het glas aanwezig is, stijgt op, zoodra zij door de vlam is verwarmd, en wordt door andere, koudere lucht vervangen, die op hare beurt weder verwarmd wordt, ook opstijgt, enz. Bij het voorbijgaan langs de vlam neemt deze van de lucht zooveel zuurstof tot zich, als zij noodig heeft om te blijven bestaan, of, beter gezegd, neemt het door de voorafgegane verbranding genoegzaam verwarmde was of kaarsvet de zuurstof van de lucht op en verbindt zich daarmede. Wat er door die verbinding wordt gevormd, stijgt met de verwarmde en van het grootste gedeelte harer zuurstof beroofde lucht op, en ontwijkt van boven.

Het spreekt van zelf dat een ruime toevloed van dampkringlucht noodig is, opdat de brandstof geheel verbranden kunne, opdat niet een gedeelte daarvan onverbrand, en dus zonder licht—of warmte — gegeven te hebben, ontwijke. Wat de uitwerking is van het niet geheel beletten, maar toch te zeer beperken van dien toevoer, zien wij het best aan eene gewone zoogenaamde engelsche lamp, of zelfs aan eenen ronden gasbrander. Sluit men daarbij namelijk, met de hand of met een om den glasrand gebogen papier, de toetreding der lucht tot de vlam gedeeltelijk af, dan ziet men de vlam grooter, maar ook meer geel van kleur en veel minder lichtgevend worden. Van waar deze kleur