Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/715

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 295 —

en de mindere lichtkracht? Het antwoord op deze vraag vindt men in de omstandigheid, dat een boven de vlam op behoorlijken afstand geplaatst metaalplaatje, dat te voren in uren tijds naauwelijks een spoor van roet vertoonde, nu door die gele vlam in weinige oogenblikken met eene dikke laag roet wordt overtogen, dat zich zelfs aan het glas, zoo dit nog al lang is, mede aanzet. Is het eene olievlam, waarmede men de proef deed, dan is het opstijgen van dit fijn verdeeld roet ook duidelijk zigtbaar daarbij: de lamp walmt, zoo als men zegt. Het roet nu is niets anders dan kool, die, als er zuurstof in genoegzame mate wordt aangevoerd, volkomen verbrandt, maar die, als die aanvoer belemmerd wordt, daardoor niet verbranden kan.

Dat evenwel een te sterke aanvoer van dampkringlucht ook weder schadelijk—en bijna op dezelfde wijze schadelijk—worden kan, zoude men op gelijke wijze kunnen aantoonen; maar nog eenvoudiger blijkt het uit de dagelijksche ervaring, bij het zoogenaamde uitblazen van eene vlam. De brandstof wordt daarbij namelijk, door het snel voorbij stroomen van eene groote hoeveelheid dampkringlucht, zoo sterk verkoeld, dat zij niet meer den gevorderden warmtegraad bezit, om zich met een gedeelte der in die lucht bevatte zuurstof te kunnen verbinden, om te kunnen verbranden.

Uit alles wat hierboven over de verbranding gezegd is, zal het nu den lezer niet moeijelijk zijn, zich een denkbeeld te maken van hetgeen daartoe noodig is, in het bijzondere geval, dat de verbranding dienen moet om licht te ontwikkelen, welk geval hier, om de grootere zigtbaarheid der uitkomsten bij de verschillende proefnemingen, op den voorgrond is gesteld. Evenzoo zal het gemakkelijk zijn, daarvan de toepassing te maken op de verbranding ter voortbrenging van warmte, en dus op het onderwerp, dat ons hier meer regtstreeks bezig houdt, op de kagchels. De verklaring van een aantal verschijnselen, die men bij de kagchels kan opmerken, zoowel als eenige praktische wenken bij het gebruik daarvan, vloeijen zelfs onmiddelijk uit het bovenstaande voort, zoo als later blijken zal. Gaan wij echter voort met de beschouwing van hetgeen in eene kagchel moet geschieden, dan stuiten wij nu aanstonds op een belangrijk onderscheid tusschen