Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/716

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 296 —

deze en eene lichtvlam; het licht van de laatste namelijk verspreidt zich van zelf; maar de warmte, bij de verbranding der eerste vrij geworden, komt niet zoo van zelve waar wij haar noodig hebben. Zij zou voor het grootste deel, waren er geene bijzondere inrigtingen voorhanden om dit te beletten, met de producten der verbranding en het overschot der dampkringlucht den schoorsteen ingaan. Aan de wijze waarop die inrigtingen werken, aan de verspreiding der warmte dus, willen wij nu eenige regelen wijden.

Als een ligchaam, eene metalen stang b.v., aan het einde wordt verwarmd, dan verspreidt zich de warmte allengskens door de geheele stang heen, dan wordt zij daarin van het eene deeltje op het andere voortgeleid. Het is er echter verre af, dat dit in alle ligchamen even gemakkelijk en dus even snel zoude geschieden; gelijk de dagelijksche ervaring ons leert. Een staafje hout van de lengte eens vingers kan aan het eene uiteinde branden, zonder dat men aan het andere eene merkbare verwarming bespeurt; een staafje ijzer van dezelfde lengte, aan het eene einde gloeijend gemaakt, zal men aan het andere niet ongestraft aanvatten. Om een zoodanig onderscheid in verschillende stoffen ten opzigte van de warmte aan te duiden, als hetgeen door ons voorbeeld in het ijzer en hout duidelijk wordt, is men gewoon te zeggen dat de eene de warmte beter geleidt dan de andere. Vele geleerden hebben proeven gedaan om de meerdere of mindere gemakkelijkheid, waarmede zich de warmte in verschillende stoffen voortbeweegt, naauwkeurig te bepalen. Zonder ons met eene uitgebreide opgave en beredenering van hunne uitkomsten in te laten, zal ik de voornaamste daarvan, die voor ons doel het belangrijkst zijn, hier opgeven. Onder alle ligchamen zijn het de metalen, die de warmte het best geleiden, maar onder deze zelfs heerscht nog een aanmerkelijk verschil dienaangaande. Het goud, b.v., geleidt de warmte ongeveer twee en een half maal beter dan het ijzer dit doet, en dit weder ruim twee maal beter dan het lood. Mag dit verschil van de metalen onderling reeds aanmerkelijk genoemd worden, ongelijk grooter nog blijkt het verschil te zijn tusschen deze en andere stoffen. Het slechtst geleidende van alle in het dagelijksch leven voorkomende metalen, het zoo even genoemde lood, geleidt namelijk de warmte bijna vijftien malen beter