Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/727

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 307 —

twee deurtjes aan, het bovenste is dat van een' oven, het onderste dat van den vuurhaard. In de daarnevens geplaatste afbeelding in doorsnede ziet men, dat de door de verbranding verhitte lucht zich langs de zijden van den oven naar de bovenruimte C begeeft, waar de pijp in uitkomt; die oven wordt dus aan vier zijden verwarmd. In den bodem daarvan is eene opening, die door een daarin passend plaatje a kan gesloten worden; het huishoudelijk nut van deze, zoowel als van den geheelen oven, zal ik hier niet behoeven aan te toonen. Ik had deze kagchel in het begin van den voorgaanden winter gekocht, en juist met het oog op dit laatstgenoemde voordeel deze inrigting gekozen, mij overtuigd houdende dat zij althans evenveel warmte als eene kolom zou geven, bij het zelfde verbruik van brandstof. Want, zoo redeneerde ik, de heete lucht wordt juist door den oven gedwongen om digt langs de buitenwanden der kagchel heen te strijken en dus aan deze het grootste deel harer warmte af te staan; en wil men den oven niet als zoodanig aanwenden, hetgeen toch maar enkele malen en voor korten tijd het geval is, dan zet men de deur daarvan open en de daar verwarmde lucht kan het hare tot de verwarming des vertreks bijdragen. Het gevolg bevestigde evenwel mijne verwachting niet. De kagchel brandde geenzins zuinig, en het bleek dat men daarin geen steenkolengruis, zoo als in eene kolom, ja zelfs geene kleine stukjes steenkolen — zoogenaamde nuts—kon aanwenden. Het eerste brandde zoo lui, dat er veel onverbrand door den rooster viel, en dat het onmogelijk was, de kamer, die nog al groot, en lang niet misdeeld is van deuren en vensters, daarmede behoorlijk te verwarmen. Met de tweede ging dit beter, maar er zette zich binnen weinig tijd eene zoo dikke laag roet in de kagchel aan, dat men, een paar dagen na het schoon maken, de nadeelige uitwerking daarvan op het trekken der kagchel reeds duidelijk kon bemerken. Men moest zich dus tot turf en blokjes hout bepalen, en daarmede ging de zaak goed, mits men maar niet te naauw zag op de hoeveelheid. De kagchel, het was uit alles blijkbaar, trok dus niet goed. Wat was hiervan de oorzaak? Lag die in den schoorsteen? Dit was niet waarschijnlijk, want eene kolomkagchel, die in een nabijgelegen vertrek stond, en in den