Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/732

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 312 —

rooster B in het vertrek; terwijl er door de opening C, van onderen in den mantel, en door eenige openingen in den bodem daarvan, voortdurend koude lucht toestroomt. Ook zonder eenige kennis van de wetten van het evenwigt en de beweging der vloeistoffen te bezitten, zal toch, dunkt mij, de lezer geene moeijelijkheid vinden in het begrip van de reden, waarom hier eene meer geregelde, en vooral daardoor snellere, opstijgende beweging van de lucht moet plaats grijpen tusschen de kagchelwanden en den mantel, dan zulks zonder dezen laatsten het geval zoude kunnen wezen. Deze brengt dan ook te weeg, dat eene kagchel als deze, met dezelfde hoeveelheid brandstof, eene ten minste even groote hoeveelheid warmte in denzelfden tijd in het vertrek verspreidt, als de zoo veel hoogere kolomkagchel, op blz. 299 afgebeeld. Ik merk hier in het voorbijgaan aan, dat alle in dit stukje afgebeelde kagchels in dezelfde verhouding, en wel op 1/20, zijn verkleind.

Al is nu de inrigting dezer kagchels eenvoudiger en het begrip van de wijze, waarop zij werken, voor elk die daarover nadenkt, gemakkelijk, toch moet men niet denken, dat zij steeds zóó worden gemaakt, of althans met kleine veranderingen, die aan het doel niet schaden, of dit nog bevorderen kunnen. Ik heb kagchels gezien, die uiterlijk volkomen met de zoo even beschrevene overeenstemden en ook blijkbaar naar een dergelijk model waren gemaakt, doch waarin van binnen de zaak zoo volkomen verkeerd was ingerigt, dat de warmte den schoorsteen in moest en slechts voor een klein deel in het vertrek kon komen. Zoo was er b.v. bij sommige rondom het boveneinde van de binnenkagchel een rand van plaatijzer aangebragt, die de ruimte tusschen deze en den mantel daar volkomen afsloot. Dit gaf zeker, naar het begrip van den maker, meer stevigheid; maar dat hij zóódoende juist het opstijgen van de lucht tusschen kagchel en mantel, en dus de mededeeling der warmte, volstrekt belette, daar had hij geen denkbeeld van. Zelfs was bij zulke kagchels de inrigting, om den rooster van boven naar willekeur meer of min te kunnen openzetten en dus de warmteverspreiding in het vertrek te regelen, dikwijls evenwel aangebragt, alsof zij nu nog eenige dienst konde doen. Ik zou nog een aantal dergelijke