Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/738

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

KUNNEN ER

KIKVORSCHEN EN DERGELIJKE DIEREN

IN DE MAAG EN DARMEN VAN DEN MENSCH LEVEN?

 

 

Vrij algemeen zijn de zonderlinge verhalen bekend van kikvorschen, padden, slangen of hagedissen, die zich in de darmbuis van verschillende menschen zullen genesteld hebben, en onder allerlei kwalen werden uitgebraakt of langs den gewonen weg ontlast.—Zij gaven in vroegere eeuwen tot heksenprocessen en duivelsbezweringen aanleiding, en vinden ook in onze meer verlichte tijden nog hier en daar geloof, waarom a. a. berthold ongetwijfeld geen noodeloozen arbeid deed, toen hij voor een paar jaren een betoog uitgaf: Ueber den Aufenthalt lebender Amphibiën im Menschen, opgenomen in de Abhandlungen der Königlichen Gesellschaft der Wissenschaffen zu Göttingen, B, IV von den Jahren 1848—1850, pag. 149.

Na eene korte opgave van al de daaromtrent bekend geworden waarnemingen, waaronder hij ook diegene vermeldt, welke in de jaren 1838—1839 zoo vele artsen in Duitschland bezig hield, en tot geregtelijk onderzoek aanleiding gaf, stelt hij zich tot taak de beantwoording der vraag: Of het mogelijk is, dat de eijeren van Amphibiën in de darmbuis van den mensch tot ontwikkeling kunnen gebragt worden, of de larven dan verder daarin kunnen voortleven, en of zulks ook met volwassen dieren geschieden kan.—Volgens zijne overtuiging behooren alle deze vragen ontkennend beantwoord te worden.—De gewone temperatuur des menschelijken ligchaams, van 36° C. of 97° Fahr., is een beletsel voor het leven van alle koudbloedige dieren.

Hij bewijst zulks op proefondervindelijke wijze, door trapsgewijze water, waarin zich eijeren van kikvorschen of Tritonen, de larven