Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/752

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 332 —

toegang der lucht afsluit en alzoo eene volkomene ontbinding belet, in eenen staat van halve ontbinding, als veen, bewaard, en kunnen jaren, eeuwen lang bewaard blijven, om in die kille oorden den verren naneef tot verwarming te dienen.—In de warmere landen zijn, zoo als men weet, de veenen zeldzaam.

Ziet verder op het verband van de planten en van de dieren onderling, en van het eene Rijk met het andere, ja ook van de planten met het delfstoffelijk Rijk. De planten voeden zich niet alleen uit de aarde, maar ook uit de lucht. Zij maken in zekeren zin eene verbinding tusschen beiden uit. Zij toch nemen stoffen uit de lucht op, die door hare wortels, en ook later bij de verrotting van het geheele gewas, in den grond overgaan en daarvan het meest vruchtbaar gedeelte, den zoogenaamden teelgrond of humus, uitmaken. Zij strekken tot voedsel aan de dieren, die de soms overmatige vermeerdering van eenige gewassen beperken; maar ook dan, wanneer dit niet het geval mogt zijn, is alles zoo ingerigt, dat de overblijfselen der planten door dienzelfden teelgrond weder aan nieuwe planten het aanzijn geven, zoodat elke plantengroei voorbereiding voor weder nieuwen wasdom is. Zoodra onze akkers een oogenblik van het voortgebragt gewas ontledigd zijn, spruiten overal onkruiden op, welke niet zoo geheel en al schadelijk zijn, als velen meenen, omdat zij weder nieuwe plantenstof vormen, welke, bij eene volgende ploeging, de vruchtbaarheid van den grond vermeerdert. In de bosschen, vooral die, welke niet door den mensch worden aangeroerd, heeft de vermeerdering van dien teelgrond, door het jaarlijks afvallend blad enz., op eenen zeer grooten maatstaf plaats; doch dit zoude niet het geval zijn, indien er niet ook vele planten en vooral vele dieren waren, welke de ontbinding van gestorven boomen en kruiden bevorderden. Zoodra er toch een boom gestorven is, zijn er vele zwammen, die op den gestorven stam zich ontwikkelen, met hare zwamdraden diep in het vermolmend hout indringen en zijne ontbinding bevorderen, door vele insekten en ook door sommige vogels, de spechten b.v., daarin bijgestaan. Wanneer dit niet het geval was, hoe lang zouden dan niet in zulk een bosch de doode stammen blijven staan en nutteloos plaats wegnemen voor den nog levenden plan-