Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/756

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 336 —

minder kracht, doch is ook minder noodzakelijk, omdat deze dieren vele andere hulpmiddelen tot hunne beveiliging hebben: wapenen van aanval of verdediging, een ingeschapen instinkt, dat hen voor vele gevaren waarschuwt, of een dikwijls zeer schrander overleg, waardoor zij, menigmaal ook door gemeenschappelijke zamenwerking, zich voor veel kwaad kunnen behoeden; terwijl het vermogen eindelijk, om zich aan uitwendige invloeden te gewennen, bij de meest volkomene dieren, zoo als bij den mensch, ook het meest ontwikkeld is.

Door deze en vele andere hulpmiddelen, welke mijn bestek niet zoude toelaten alle op te sommen (ook in het geval, dat zij mij alle volkomen bekend waren), blijven de dieren en de planten op deze onze aarde behouden, niettegenstaande de tallooze veranderingen en afwisselingen, die er op dezen bol plaats hebben. Onze gronden, onze rivieren en meren, onze zeeën zelfs, onze planten en onze dieren ondergaan veranderingen; doch, zoodra die veranderingen te groot zouden worden, worden zij door andere werkingen weder bedwongen en het algemeen evenwigt tusschen het delfstoffelijk- en het planten- en het dierenrijk, bleef sedert de schepping der wereld en blijft nog ongeschonden.


Heerlijke en wijze instelling voorwaar, dat de algemeene orde bewaard blijft en toch veranderingen toelaat! Of wat heeft de mensch niet al veranderingen op het gelaat des aardrijks te weeg gebragt, zonder het algemeen evenwigt te hebben kunnen verstoren! Aan zijne pogingen evenwel om aan sommige gewassen eene overmatige uitbreiding te geven en eenige dieren in al te groot aantal te vermenigvuldigen, is het, naar mijn inzien, toe te schrijven, dat er van tijd tot tijd ziekten of vijanden van eenige algemeen gekweekte gewassen of huisdieren ontstaan. Wanneer de teelt van eenig gewas al te zeer wordt uitgebreid, ook op gronden, die daarvoor anders minder geschikt waren, ontaardt en verzwakt het gewas wel eens, raakt de grond daarvoor uitgeput, of vermeerderen zich de dieren, die van zoodanig gewas leven, al te zeer, en wij doen daarom wèl, de verscheidenheid, die er in de natuur heerscht, ook in onzen landbouw en veeteelt na te volgen, door namelijk een behoorlijk afwisselend stelsel te volgen en niets te overdrijven. Wanneer eenige