Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/763

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 343 —

Een planter in Zuid-Carolina beschrijft op de volgende wijze de uitwerking van dit tooneel op de negers. "Ik werd," dus berigt hij, "plotseling wakker gemaakt door het akeligste geschreeuw dat ooit mijne ooren trof. Ik hoorde de negers der plantaadje, wier getal omstreeks 6 à 800 bedroeg, gillen van angst en om genade roepen. Terwijl ik met opmerkzaamheid luisterde om de oorzaak hiervan te ontdekken, hoorde ik eene zwakke stem bij de deur mij bij mijnen naam roepen. Ik stond op, wapende mij, en trad naar de deur. Op dat oogenblik hoorde ik dezelfde stem mij toeroepen om op te staan, en zeggen: "O mijn God, de wereld staat in vuur!"

Ik opende toen de deur, en het is moeijelijk te zeggen, wat mij meer trof, de verhevenheid van het schouwspel, of het wanhopig geschreeuw der negers. Bijna honderd van dezen lagen op den grond uitgestrekt, sommige sprakeloos, andere de angstigste kreten uitende, en met naar omhoog gestrekte handen God smeekende de wereld en hen zelven te bewaren. Het tooneel was waarlijk indrukwekkend, want nooit viel een regen digter, dan de vurige ligchamen naar de aarde heenstortten; ten Oosten en ten Westen, ten Noorden en ten Zuiden, het was overal hetzelfde."

Dit buitengewone schouwspel begon even voor middernacht en bereikte zijne grootste hoogte 's morgens tusschen 4 en 6 ure. De nacht was zeer schoon en de hemel onbewolkt. Bij eene naauwkeurige beschouwing deden de lichtverschijnselen zich onder drie vormen voor. De meest voorkomende vorm was die van lichtende strepen, ontstaande door vurige punten, die met verbazende snelheid, en talrijk als de vlokken eener digte sneeuwjagt, door het luchtruim schoten. Daartusschen merkte men groote vuurkogels op, die van tijd tot tijd in weinige seconden eenen boog van 30° of 40° langs het gewelf des hemels beschreven, en een verlicht spoor achter zich lieten, dat gedurende eenige minuten, en somtijds wel een half uur en langer in het gezigt bleef. Het licht van deze vurige verhevelingen was meestal wit; soms echter schitterde het in al de kleuren van den regenboog. Die vuurkogels waren niet zelden zeer groot; er werd een waargenomen, zoo groot als de volle maan, in noordwestelijke rigting voortloopende en nabij de ster Capella ontploffende. Een