Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/769

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 349 —

kracht der aarde, in het ruim van ons planetenstelsel, ontstaan zouden. Op deze en dergelijke gronden, in verband met de periodiciteit der sterrenregens, beweerde arago, dat de vallende sterren moesten gehouden worden voor ontelbare kleine ligchamen, zeer kleine op zich zelven staande planeetjes, die in eene elliptische loopbaan zoo om de zon loopen, dat zij te zamen eenen onafgebrokenen ring uitmaken, op welken zij echter hier meer, daar minder sterk bijeengedrongen zijn. Die ring doorsnijdt de loopbaan der aarde daar, waar deze laatste zich van den 11den tot den 14den November van elk jaar bevindt. Wanneer die ligchamen zich dan met de hun eigene groote snelheid door den dampkring bewegen, worden zij gloeijend, ontbranden en worden op die wijze voor ons als vallende sterren zigtbaar.—Deze veronderstelling geeft, gelijk men ziet, alleen reden van de vallende sterren der November-periode;—men behoeft haar evenwel slechts uit te breiden, en meer zoodanige ringen aan te nemen, waarvan velen door een veel minder aantal kleine planeetjes gevormd worden, om de overige periodieke benevens de sporadische vallende sterren te verklaren. De ongelijke opeendringing der ligchamen op elken dier ringen geeft reden van de omstandigheid, dat de periodieke sterrenregens het eene jaar veel aanmerkelijker zijn, dan het andere, en zelfs somtijds weinig in het oog loopen.

Bijna terzelfden tijde, toen arago zijne hypothese vond, gaf de meergenoemde Amerikaansche sterrekundige olmsted er insgelijks eene, welke aan die van arago zeer verwant is, en, gelijk deze, in naauw verband staat met de hypothese van chladni betreffende de aërolithen. — Volgens olmsted ontstaan de vallende sterren der November-periode uit een nevelachtig ligchaam, dat in eene elliptische baan rondom de zon loopt in den tijd van omstreeks zes maanden, en welks aphelion,—dat is het punt waar die baan het verst van de zon verwijderd is,—digt bij de loopbaan der aarde is gelegen, terwijl zijn perihelion,—het punt, waar zijne loopbaan de zon het digtst nadert,—gelegen is binnen de loopbaan van Mercurius, de planeet die het naast bij de zon is. In de nevenstaande figuur is E de loopbaan der aarde, M die van Mercurius, en N die van den veronderstelden nevel. Wanneer nu de nevel, in zijn aphelion, digt bij de loopbaan