Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/770

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 350 —

Baan van hemellichamender aarde komt,—hetgeen geschiedt, wanneer de aarde terzelfder tijd juist in dat gedeelte van hare loopbaan is, tot hetwelk de nevel het meest nadert, — dan worden er door de aantrekkingskracht der aarde deelen van dien nevel aangetrokken, die, binnen den athmospheer der aarde komende, in brand geraken. Olmsted nam een nevelachtig ligchaam aan, omdat men bij de periodieke sterrenregens geen val van aërolithen of iets dergelijks had waargenomen.

Er is niet weinig, wat ten gunste dezer veronderstellingen schijnt te pleiten—maar er is ook veel, wat tegen haar kan worden aangevoerd; zij zijn en blijven nog altijd veronderstellingen, omtrent welke waarschijnlijk eerst latere tijden eene beslissende uitspraak zullen doen. Ik vergenoeg mij daarom ook met haar slechts in weinige woorden vermeld te hebben, zonder dienaangaande in verdere ontwikkeling te treden; terwijl ik hem, die de zwarigheden wil leeren kennen, welke tegen haar kunnen worden ingebragt, verwijs naar het werk van den Hoogleeraar f. kaiser, getiteld: de Sterrenhemel, op bladz. 252 enz. van den tweeden druk.

In hoeverre de vallende sterren in verband staan met den val der meteoorsteenen of aërolithen, daarover zal ik thans evenmin uitweiden, te meer omdat een opstel over de aërolithen, van eene meer bevoegde hand dan de mijne, in dit Album te wachten is.

D. L.