Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/792

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 372 —

boom. Dit blijkt dan ook daaruit, dat in alle berigten wordt gesproken van de "moeijelijkheid, die er voor de Chinezen is gelegen in het overbrengen van een' geheelen boom." In het Museum van Kew is een tak van meer dan eene Nederlandsche el, waarin de pit meer omvang heeft dan in onze gewone vlierstruik. De dikke stam is gestreept en in den omtrek overal voorzien met likteekens van de afgevallen bladen; op de dwarse doorsnede ziet men eerst eene matig dikke schorslaag, daarna eene dikkere van een wit bleek hout, eindelijk eene schijf van meerdere breedte, die de pit uitmaakt en zich in de dikkere stammen vaak van het hout los maakt, en in den boom in eene soort van mergkoker moet bevat zijn, uitwendig met eene roodachtige kleur bedeeld. Als men dat roode gedeelte wegneemt, bieden die mergpitten nog geen gelijkmatig vast weefsel aan; in velen er van vindt men holten, die door tusschenschotten in zoo vele hokken of ruimten zijn verdeeld (fig. 3, 3, 4, 5).

Wij zijn nog niet in de gelegenheid geweest om dit innerlijke gedeelte van den stam na te gaan, Eene zoo kostbare en zeldzame plant door te snijden, ten einde de mergpit te zien, dit zou allezins zijn af te raden, ook zelfs al kon het dienen tot oplossing van dit zoo gewigtig vraagstuk. Het microscopisch onderzoek van het rijstpapier en de hier bedoelde pit zou de geheele zaak beslissen. Wat toch waarborgt ons, dat ook hier weder de zucht tot misleiding niet haar ruim deel heeft? Wij meenen echter op den weg te zijn, om deze merkwaardige stof te leeren kennen. Wie weet of de schokken, die het Hemelsche rijk thans in zijn binnenste heeft door te staan, niet leiden kunnen tot eene mindere afsluiting van de overige natiën, en werkelijk meerdere gemeenschap en mededeelingen omtrent de geheele oeconomie der Chinezen en vooral van hunne voortbrengselen zullen kunnen ten gevolge hebben?

De geschiedenis van het papier werd voor korten tijd opzettelijk nagegaan door een onzer landgenooten, den hoogleeraar a. h. van der boon mesch. Wij kunnen den geleerden schrijver in zijne belangrijke mededeelingen over dat onderwerp hier niet volgen. Hij heeft aan 't slot van zijn geschrift eenige der kenmerken van goed papier opgegeven, en wij brengen die hier te zamen, zoo verre