Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/795

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


 

IETS OVER DEN LEEFTIJD DER BIJEN.

MEDEGEDEELD DOOR

Prof. J. VAN DER HOEVEN.

 

 

"Over den ouderdom, dien de bijen bereiken, is men het niet eens. Het is echter waarschijnlijk, gelijk ook de proefnemingen van réaumur aantoonen, dat zij hierin op de overige insekten geene uitzondering maken, en dat, hoezeer een bijenstok vijf, tien of meer jaren duren kan, het echter volstrekt geen geloof verdient dat de bijen zelve dien leeftijd bereiken, zoo als b.v. aristoteles meende, volgens wien zij zes of zeven jaar oud worden. De koningin leeft langer dan de werkbijen."

Met deze woorden heb ik op eene andere plaats in het kort trachten zamen te vatten, wat mij door vergelijking van de verschillende schrijvers over dit onderwerp bekend was.[1] Hierbij is echter niet bepaald aangewezen, hoe oud de bijen worden, wel dat zij niet zoo lang leven als aristoteles meende, wiens gevoelen ook door virgilius is nagevolgd. "Wij willen de woorden uit de Georgica van dezen dichter, om voor al onze lezers verstaanbaar te zijn, uit de vertaling van delille, hier inlasschen.


"Aussi, quoique le sort, avare de ses jours.
Au septième printemps en termine le cours,
Sa race est immortelle; et sous de nouveaux maîtres,
D'innombrables enfants remplacent leurs ancêtres."


Onlangs kwam mij over dit onderwerp een opstel in handen, 't geen ik vertrouw dat aan de meeste lezers van het Album der Na-

  1. Handboek der Dierkunde. I, 1828 bl. 255 (tweede uitgave I, 1849 bl. 418).