Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/796

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 376 —

tuur onbekend zal zijn gebleven, en waarvan ik mij dus veroorloof den hoofdinhoud beknoptelijk mede te deelen.[1]

De schrijver van dat opstel, de heer desborough, heeft zich sedert jaren met de bijenteelt bezig gehouden, en is in het bezit van zoodanig een glazen bijenhuis, dat hem ten allen tijde de waarneming der insekten toelaat. Zijne opgaven verdienen derhalve vertrouwen, en zijn arbeid heeft daarenboven de aanbeveling van door de Entomologische Sociëteit te Londen bekroond te zijn. Maar 't geen mijns oordeels nog het meest vertrouwen in des schrijvers arbeid inboezemt, de wijze, waarop hij bij de oplossing van dit vraagstuk te werk gaat, is hoogst eenvoudig en de uitkomst, tot welke hij geraakt is, geheel binnen het bereik der beoordeeling van elken lezer, die hem in zijn betoog volgen wil.

Het is bekend, dat er bij de honigbij, gelijk bij andere gezellig levende vliesvleugelige insekten, drie vormen zijn, waaronder zich de soort vertoont: ik zoude mij misschien meer verstaanbaar uitdrukken als ik zeide, dat er drie soorten van bijen zijn, wanneer ik op deze wijze den naam soort niet in eene onwetenschappelijke beteekenis bezigde. Men heeft namelijk de koningin, de hommels of darren en de werkbijen. Wat den leeftijd betreft, dien de koningin bereikt, hieromtrent geeft de bijzonderheid opheldering, dat de oude koningin met den zwerm aftrekt. Stel dus dat uit eenen korf in zeker jaar (A) geen zwerm voortkomt, dan heeft dit verschijnsel geene andere oorzaak, dan dat de oude koningin gestorven is en dat hare plaats door eene nieuwe koningin is ingenomen, die zich alleen in den korf bevindt. In 't volgend jaar (B) zal deze bijenstok een zwerm geven; van dezen zwerm gaat wederom in een volgend een zwerm uit (C), en dus is de koningin van het eerste jaar (A) nog in leven en aan het hoofd van den zwerm van het tweede. De waarnemingen van den schrijver geven hem als

  1. On the Duration of Life in the Queen, Drone and Worker of the Honey-bee; to which are added observations on the practical Importance of this knowledge in deciding whether to preserve stocks or swarms. Being the Prize Essay of the entomological Society of London for 1852. By j. g. desborough Esq. Transactions of the entomol. Society. New Series Vol. II. Part 5. June 1853.