Pagina:Album der Natuur 1852 en 1853.djvu/801

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 381 —

stokken,[1] Maar eene toevallige waarneming van den schrijver bragt hem hierbij nog tot een denkbeeld, hetwelk hij door eigene ondervinding wel nog niet als beproefd kon opgeven, maar 't geen nogtans, gelijk hij meent, behartiging verdient. Hij heeft in 1851 een zwerm toevallig in een' anderen korf zien intrekken, dan waartoe hij oorspronkelijk behoorde. De bevolking van dien korf was te voren vrij traag in het werk geweest en was ook vrij zwak; maar zoodra was niet de nieuwe bevolking aangekomen, of al de bewoners begaven zich met kracht aan den arbeid, en bragten in het zomersaisoen eenen zeer schoonen voorraad van honig bijeen. Dit bragt den schrijver tot de meening, dat het misschien raadzaam zijn zou den zwerm, waaraan men de koningin ontnomen heeft, in eenen anderen korf over te brengen; den eerstvolgenden zwerm kon men opnemen in den korf waaruit de eerste zwerm was uitgegaan enz., en alzoo eene gedurige verandering van huisvesting bij het zwermen der bijen in acht nemen. Hij zegt steeds te hebben waargenomen, dat, nadat men eenen zwerm tot den stok, waartoe hij oorspronkelijk behoorde, teruggebragt had, deze stok over 't algemeen zich niet ijverig aan 't werk zette voor een verloop van vier of vijf dagen. Hij meent, dat de oorzaak daarin te zoeken is, dat de bijen bij hare terugkomst haren korf juist zóó wedervinden, als zij dien verlieten. Zij hebben alzoo geene aanleiding om te gaan arbeiden. De bijen zijn in waarheid teleurgesteld. Worden daarentegen deze bijen bij eenen korf gevoegd, waar een andere toestand van zaken plaats heeft, dan zijn zij aangeprikkeld om haar natuurlijk instinkt te volgen, aan het werk te gaan, en honig op te zamelen. Meent iemand onzer lezers misschien, dat deze teleurstelling eene wat te menschelijke uitdrukking is voor 't geen er in eenen bijenkorf omgaat, dan moge hij er een ander woord voor uitdenken, en niet vergeten, dat wij, over dierlijke gewaarwordingen en levensverschijnselen oordeelende, natuurlijk onze eigene gewaarwordingen en levensverschijnsels tot maatstaf van vergelijking bezigen.

 

 
  1. "De ervaring, zoowel als de natuur der zaken, leert, dat een zwakke bijenstok in den winter, naar evenredigheid van het aantal bijen, meer gebruikt dan een sterke." r. j. brouwer, nieuwe leerwijze omtrent de bijen en derzelver zoogenaamde magazijnteelt, naar het Hoogduitsche werk van j. l. christ. Amsterdam 1809. 8°. bl. 141.