Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/132

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

— 118 —

wijze uitsteeksels van de halswervelen, de gelijkmatige kromming der ruggegraat, het lange en betrekkelijk smalle bekken, de schuinse geleding van den voet met den schenkel, de van de overige afstaande groote teen eindelijk leeren, dat de Gorilla ongeschikt is om op den vlakken grond den opgerigten stand en gang van den mensch aan te nemen, maar dat daarentegen eene klimmende beweging tot zijne levensbestemming behoort.

Volgens de beschrijving van savage heeft de Gorilla, waaraan de inlanders den naam van Engé-ena geven, eene lengte van ongeveer vijf voet. Zijne schouders zijn ongemeen breed, en hij is met eene digte en grove vacht bedekt, welke in jongen leeftijd zwart is, en later grijs wordt. Aan de physionomie wordt een eigenaardig karakter gegeven, gelijk ook uit de afbeelding blijkt, door de groote breedte en lengte van het aangezigt, het wegwijken van het bekkeneel, de groote oogen, den breeden, platten en aan den wortel flaauw gewelfden neus, den uitpuilenden muil, de hier en daar met eenig grijs haar bedekte lippen, de zeer bewegelijke onderlip, welke bij verwoedheid van het dier zich zeer kan verlengen en alsdan op de kin hangt, de naakte en bruin gekleurde huid aan aangezigt en ooren. Met de kammen op den schedel stemt overeen een paar behaarde stroken boven op het hoofd, welke het dier naar willekeur zoodanig beweegt, dat hierdoor een woest, dierlijk aanzien wordt te weeg gebragt, hetwelk, voor geene beschrijving vatbaar, vooral als hij woedend is, de grootst mogelijke afschuw en schrik te weeg brengt. Voeg daarbij eenen korten, dikken en behaarden hals, gewelfde borst en breede schouders, lange armen, die tot beneden de knieën reiken, met betrekkelijk korte voorarmen en groote handen, waarin de duimen veel dikker zijn dan de overige vingers. De buik is wijd en uitpuilend, en met dunner haar dan de rug bedekt; de onderste ledematen zijn gebogen en stevig. De staart en de eeltplekken, aan zoo vele andere Vierhanders eigen, ontbreken. Zijn gang is volstrekt niet met den deftigen tred van den mensch vergelijkbaar. Hij rust, hoewel hij zich, even als de Chimpansé, voor korten tijd alleen op de achterpooten kan ophouden, in den regel met voorover gebogen ligchaam op de rugvlakte der gebogen vin-