Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/138

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 124 —

De groote, van het hoofd afstaande ooren zijn bijna geheel gelijk aan die van den mensch, met die uitzondering slechts, dat zij de oorlel missen. De bovenste ledematen hebben een zoo groot overwigt in lengte, dat, als de Chimpansé regtop wil gaan, hij genoodzaakt wordt met voorover hellenden tronk te steunen op de rugvlakte der handen, waardoor zijn gang alsdan eenige overeenkomst krijgt met die van eenen hoog bejaarden man, die, hoewel met eenige moeite voortstrompelende, echter nog een' deftigen tred wil aannemen. Vreemdsoortig wordt deze gang vooral, als hij met groote stappen wil voortgaan. De lange armen zijn van belangrijke spierkracht voorzien en met haar bedekt, dat op den bovenarm[1] van beneden naar boven gerigt is. Eigenaardig zijn zijne lange handen, de gerekte en smalle handpalm, de naakte en lange vingers, waarvan de toppen met platte nagels bedekt zijn, en de korte achterwaarts gedrongen duim. Aan het achterdeel ontbreken eeltplekken zoowel als staart. De kort ineengedrongen onderste ledematen hebben eenen voet, waarin de groote teen als een bewegelijke achterduim van de overige teenen afstaat en tot vastklemmen aan takken enz., kan gebezigd worden. De voetzool raakt den grond slechts door haren daartoe met eelt bedekten buitenrand. De huid is met spaarzaam, lang, golfswijs gebogen, zwart haar bedekt, dat alleen op den rug, de schouders en de buitenvlakte der ledematen rijkelijk aanwezig is, en zich op de borst- en buikvlakte, als ook op de binnenzijde der ledematen, zeer schaars voordoet. Van de levenswijze van den Chimpansé in natuurstaat weten wij niets. De dieren, welke men in diergaarden had, waren allen zeer jong. Aan de verhalen, welke men elders van hunne verstandelijke vermogens gaf, kan met moeite eenig vertrouwen gehecht worden. Zij zijn zoo opgesmukt en met zooveel vooringenomenheid medegedeeld, dat men hierdoor alleen reeds zich ongenegen gevoelt er geloof aan te hechten. Grandpré, officier der Fransche marine, zegt eenen Chimpansé gezien te hebben, op het schip van eenen slavenhandelaar; men had hem, volgens zijn verhaal, geleerd den oven te stoken, waarvan hij den juisten graad van hitte goed wist te beoordeelen en alsdan den scheepsbakker ging waarschuwen;

  1. Zie Errata voor opmerking hierover