Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/143

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 129 —

lengte der steeds gebogen teenen en door verder afstaan van den grooten teen zich nog meer van den menschelijken voet verwijdert, en dat de onderste ledematen betrekkelijk nog korter zijn. De nagel en het voorste lid ontbreken dikwerf aan den grooten teen, hetgeen het gevolg schijnt te wezen der afslijting welke hij, bij het beklimmen der boomen, door schuring tegen stam en takken ondervindt. Het gemis is, gelijk temminck zoo juist zegt, geen bewijs van soortelijk verschil, maar veeleer slechts eene toevallige verminking. De stand van den voet is als die van den door misvorming bij den mensch soms aanwezigen horrelvoet, dat is, rustende met den eeltachtigen buitenrand op den grond, waarbij de teenen in de voetzool gebogen, en de binnenrand opgewipt zijn. Dat deze rigting van den voet ook eene der oorzaken is van den zoo straks beschreven waggelenden gang, zal niet gezegd behoeven te worden. De beharing is als bij den Chimpansé, met dit onderscheid echter dat de kleur rosachtig rood is. Bij bejaarden is het haar op den rug meestal vrij sterk gesleten, ten gevolge van het liggen daarop. Zijne huid is even als die van den mensch voor die eigenaardige zamentrekking en rimpeling vatbaar, welke men met den naam van kippenvel aanduidt. De grootste lengte, welke de mannelijke dieren bereiken, bedraagt nog geen viervoet. Het vaderland van den Orang-oetan is Borneo en Sumatra; er bestaat geen stellig bewijs, dat men hem ooit op het vaste land van Azië gezien heeft. Diegene, welke op Borneo leeft, is geenszins onderscheiden van de soort, welke op Sumatra voorkomt, en het laat zich tot heden niet vermoeden, dat er op Borneo meer dan eene soort zal zijn. Hij bewoont op beide eilanden lage, vlakke streken, bij voorkeur groote, moerasachtige bosschen van het zeestrand af tot verre in het binnenland. Hoe somberder de bosschen zijn, hoe liever hij er zich ophoudt. In het gebergte komt hij nooit voor. Schuw, wild, zwaarmoedig en rustig tevens, houdt hij zich verre van de verblijven der menschen verwijderd, en leeft hij meestal eenzaam in het geboomte, waarin hij zich op struiken een nest tot nachtverblijf bouwt, en zich bij strenge nachtkoude ook met Pandanus-bladen bedekt. Zoo men er kleine troepjes van twee of drie individu's