Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/171

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 157 —

neming van zuurstof uit de lucht in het bloed ontstaat, gaat allengs geheel verloren, met andere woorden, zoogdieren in den toestand van winterslaap worden koudbloedige dieren. De uitkomsten van talrijke onderzoekingen op dit punt, bij marmotten, relmuizen, hazelmuizen, vledermuizen in het werk gesteld, stemmen allen daarin overeen, dat, wanneer de winterslaap diep en vast is, de warmte der inwendige ligchaamsdeelen of van het bloed met de temperatuur der omgevende lucht nagenoeg gelijken tred houdt, met haar stijgt en daalt, en dat zij zelfs tot het vriespunt, ja nog iets daaronder dalen kan, zonder dat het dier ophoudt te leven (saissy, reeve, marshall hall, berger, jenner, barkow). Echter is groote koude voor den winterslaap niet gunstig, en opzettelijk genomen proeven bij zeer lage temperatuur hebben geleerd, dat dan de dieren uit hunnen slaap worden opgewekt, doch doorgaans met het gevolg, dat zij eenigen tijd later sterven. Ook zoeken de dieren zich in den natuurstaat daarvoor te behoeden door het verblijf in onderaardsche holen, waarin zij bovendien plantaardige stoffen vergaderen; of zij vereenigen zich, gelijk de vledermuizen, gezellig te zamen, waardoor al mede de invloed der al te groote koude gematigd wordt.

Opmerkelijk is het, dat, terwijl de ademhaling, gelijk wij zagen, nagenoeg geheel ophoudt, de omloop van het bloed daarentegen voortduurt, wel met mindere snelheid en kracht, doch zoo, dat de beweging zelfs in de van het hart ver verwijderde haarvaten nog blijft bestaan. Marshall hall zag dit in de vlieghuid van eene vledermuis. Dit herinnert trouwens geheel aan den invloed van ether en chloroform, waardoor mede de ademhaling tijdelijk geheel tot stilstand kan worden gebragt, terwijl de bloedsomloop aanhoudt, en, even als in dit geval, is ook het bloed der winterslapers geheel aderlijk geworden, en bezit bovendien eene geringere neiging tot stremming.

Wat de spijsvertering aanbelangt, zoo houdt deze in den toestand van volkomen winterslaap geheel op, en hetzelfde geldt van alle afscheidingen, die daarmede gepaard gaan of er het gevolg van zijn (hunter, barkow). Worden de dieren echter door de eene of andere oorzaak wakker, waarbij zich de ademhaling herstelt, dan gevoelen zij behoefte tot eten, en de spijsvertering vangt dan ook weder aan.