Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/172

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 158 —

Uit dit beknopt overzigt van de voornaamste verschijnselen, welke de winterslaap bij de dieren oplevert, blijkt, dat de levenswerkzaamheid in dien toestand tot eenen zeer lagen trap gedaald, maar geenszins geheel vernietigd is. Ook heeft werkelijk nog bij hen eenige stofwisseling plaats. Het bewijs daarvoor wordt geleverd door hunne verandering in gewigt. Zeer opmerkelijk is het, dat deze verandering niet enkel in verlies bestaat. Sacc, hoogleeraar te Neufchâtel, heeft talrijke wegingen in het werk gesteld van marmotten in den toestand van winterslaap, en daarbij bevonden, dat zij, wel is waar, over het geheel allengs in gewigt afnamen, maar toch ook, dat van tijd tot tijd hun gewigt wederom iets toenam, en wel juist dan wanneer de slaap het diepst was. [1] De proeven van regnault en reizet hebben de oorzaak daarvan leeren kennen. Zij bevonden namelijk, dat de slapende marmotten somwijlen merkelijk meer zuurstof uit de lucht opnamen, dan zij koolstofzuur uitademden, en daar op geenen anderen weg stoffen uit hun ligchaam verwijderd werden, zoo moest noodzakelijk hun gewigt eenigzins vermeerderen. Let men echter op den geheelen duur van den winterslaap, dan heeft er verlies van stof plaats, en wel inzonderheid verdwijnt een groot deel van het vroeger rijkelijk aanwezige vet (saissy, mangili, berger, monro, barkow). Waarschijnlijk mag men aannemen, dat dit verlies niet alleen door de longen, maar ook door de huid geschiedt.

De geringheid der stofwisseling verklaart echter hoe het komt, dat deze dieren in eenen schier aan schijndood grenzenden toestand kunnen blijven, zonder voedsel tot zich te nemen en nagenoeg zonder adem te halen. Reeds zagen wij, dat die toestand bij zoogdieren maanden lang duren kan; bij dieren uit andere klassen heeft men dit nog veel langer waargenomen. Het is geenszins eene zeldzaamheid, dat sommige poppen van vlinders, nadat zich de rupsen in den herfst verpopt hebben, niet in den volgenden zomer, maar eerst een jaar later uitkomen, ja reaumur [2] bewaarde op eene zoodanige wijze eenige poppen in eenen ijskelder gedurende verscheidene jaren, zonder dat zij de gewone gedaanteverwisseling

  1. Ann. de Chim. et de Phys. 1849, T. XXVI, p. 429.
  2. Mémoires pour servir à l'histoire des insectes, T. II, part. I, p. 23.