Pagina:Album der Natuur 1854 en 1855.djvu/175

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

— 161 —

schillend voor de onderscheidene soorten. De planten der keerkringsgewesten sterven hier te lande reeds bij eenen warmtegraad, waarbij onze inlandsche gewassen welig groeijen. Dat er echter planten en zelfs hoog bewerktuigde planten zijn, wier sappen volkomen tot ijs kunnen stollen, zonder de vatbaarheid te verliezen, om later bij ontdooijing weder te herleven, hebben de reeds voor vele jaren door den Breslauschen hoogleeraar göppert[1] in het werk gestelde onderzoekingen bewezen, welke door die van verscheidene andere, laatstelijk door die van den Noord-Amerikaanschen hoogleeraar le conte,[2] bevestigd zijn. Deze omgaf nog met den boom zamenhangende takken van Sambucus canadensis, van Pinus Taeda, van eenen Ailanthus, met koudmakende mengsels, welke eene temperatuur hadden van 0°—6° Fahr. Na eenig verblijf hierin bleek het hem, dat dunne doorsneden, van zulke takken genomen, tot in de binnenste deelen met ijs gevuld waren, en desniettegenstaande liepen dergelijke takken in het voorjaar weder uit en maakten nieuwe loten. Reeds vroeger had boyle, op het gezag van kapitein james, medegedeeld, dat op het eiland Charlestown in de Hudsonsbaai de boomen door vuur ontdooid moesten worden, alvorens te kunnen worden omgehakt, en le conte voegt hier bij, dat hij van houthakkers uit Maine en Nieuw-Hampshire vernomen heeft, dat aldaar bij strenge koude het sap van vele boomen zóó bevriest, dat het moeijelijk is er met een' bijl in te houwen. Nog een zeer sprekend voorbeeld van het vermogen, hetwelk sommige boomen bezitten om aan de koude weerstand te bieden, is het volgende. Volgens ermann is de bodem in den omtrek van Yakutsk in Siberië op 62° N. Br., blijkens eene aldaar verrigte putboring, bevroren tot op eene diepte van 400 voeten; de gemiddelde jaarlijksche temperatuur der lucht is 14°,5 Fahr.; des winters is er het kwikzilver gedurende twee, soms drie maanden, bevroren, en de thermometer daalt altijd tot —58° F., dat is 90° onder het vriespunt. Eenmaal (21 Jan. 1838) zag men er hem zelfs op —76° F. Slechts vier maanden lang vriest het niet, en de gemiddelde temperaturen van Junij, Julij en Augustus zijn 56°,8,

  1. Ueber die Wärme-Entwichelung in den Pflanzen, deren Gefrieren,etc. Breslau 1830.
  2. American Journal of Sciences 1853, p. 84.